luchtmens

online literair tijdschrift


Bij een vers (3) – Eddy van Vliet

‘De aarzeling is kort. Zij duurt een leven lang.’

(Uit: De binnenplaats, Eddy van Vliet)

Er zijn leeftijden die zich aan je opdringen. Veertig is er zo een. Vijftig nog meer. Ze krijgen een plaats in de kalender, worden omringd door verwachtingen, grappen, terugblikken en soms een lichte paniek. Maar vierenveertig is anders. Het is geen veertig meer, geen vijftig, geen mijlpaal waar anderen vanzelfsprekend een vlaggetje in steken. Het is eerder een getal dat zich stilletjes aandient, zich ongemerkt in de spiegel nestelt. En toch kan op een dag net daar zomaar gebeuren wat Eddy van Vliet in zijn gedicht beschrijft:

Ik durf niet geloven wat ik zie: een man
van vierenveertig met ovaal gezicht,
goed zittende jas en groene ogen wenkt mij,
mij bij het spiegelbeeld dat hij is te voegen.

De man in de spiegel wordt aanvankelijk niet als ik herkend. Hij is een man. Met een ovaal gezicht, een goed zittende jas en groene ogen. Alsof de dichter iemand anders waarneemt die toevallig zijn spiegelbeeld is. Het gedicht Vierenveertig begint bij de vreemde ervaring jezelf te ontmoeten. Dat is een wonderlijk en tegelijk verontrustend moment. We leven een leven lang van binnenuit, en plotseling verschijnt datzelfde leven aan de buitenkant. Er staat iemand tegenover je die alle jaren heeft meegenomen zonder dat jij ze één voor één hebt opgemerkt. En dat hoeft uiteraard niet op je vierenveertigste te zijn. Maar hier is het dat wel.

Pas daarna komt de vraag of die ander (je spiegelbeeld) bij je hoort. En die vraag (of uitnodiging) lokt een moment van aarzeling uit: ‘De aarzeling is kort. Zij duurt een leven lang.’ Misschien is dat de mooiste zin van het gedicht, omdat hij iets zegt over tijd wat nauwelijks uit te leggen valt. De aarzeling zelf duurt een ogenblik. Een blik in de spiegel, een fractie van herkenning, een kleine mentale stap van die man naar ik. Maar achter die korte aarzeling ligt een heel leven.

Ik ben op dit moment zelf een man van vierenveertig (met groene ogen maar dat doet er niet toe). Ik lig niet wakker van mijn leeftijd. Ik heb geen behoefte om het getal te bevechten of er een levensbeschouwelijke crisis van te maken. Maar ik herken wel die aarzeling uit het gedicht. Omdat het lichaam soms eerder dan de geest begrijpt dat er iets veranderd is. Niet alles loopt even gesmeerd als vroeger. Het gezicht krijgt andere lijnen, het herstel na een korte nacht duurt wat langer, energie die vroeger bijna onmiddellijk terugkwam, laat zich nu niet meer zo gemakkelijk bijvullen. Er is geen dramatische overgang, geen ochtend waarop je wakker wordt en plotseling een andere man bent. Het zijn kleine verschuivingen. Het lichaam schuift langzaam op, terwijl het innerlijke beeld van jezelf koppig achterblijft. Misschien is dat ook wat Vierenveertig in wezen onderzoekt. Niet het ouder worden, maar het moment waarop je jezelf van buitenaf begint te zien. Je voelt je niet noodzakelijk ouder, maar je begint wel beter te merken dat je lichaam een geschiedenis heeft.

Wetenschappelijk is daar weinig romantisch aan. Herstelvermogen, spiermassa, maximale zuurstofopname en andere lichamelijke reserves veranderen geleidelijk met de leeftijd. Maar misschien is juist het woord reserve interessant. Jong zijn betekent voor een deel leven alsof je onbeperkte reserves hebt. Tijd, energie, slaap, aandacht… ze lijken stuk voor stuk onuitputtelijke bronnen. Later verandert niet noodzakelijk wat je kunt, maar wel de verhouding tussen inspanning en herstel. Je merkt dat sommige dingen een prijs hebben. Het leven wordt daardoor niet per se kleiner maar wel selectiever.

Ook de grote vraag naar betekenis verandert onderweg. Jong zijn heeft iets van zoeken: wie ben ik, wat moet ik met mijn leven, wat betekent dit allemaal? Als je jong bent, lijkt het leven vooral uit mogelijkheden te bestaan. Er is een sterke behoefte om te weten wie je bent, wat alles betekent, waar het heen moet. De wereld staat nog open als een kaart waarop de belangrijkste wegen moeten worden uitgezet. Ergens voorbij de veertig kan die zoektocht haar urgentie verliezen. Niet omdat je de antwoorden hebt gevonden. Misschien juist omdat je hebt begrepen dat er geen antwoord komt dat alles netjes bij elkaar houdt. Je hoeft niet langer van iedere ervaring een les te maken. Niet iedere mislukking draagt een verborgen boodschap. Niet iedere mogelijkheid hoeft worden aangegrepen. Niet iedere twijfel hoeft worden overwonnen. Niet elk verlies maakt je wijzer. Sommige dingen gebeuren en je leert ermee leven. Niet alles hoeft van een diepere betekenis te worden voorzien. Op vierenveertig hoef je niet meer voortdurend te vragen: Wat betekent mijn leven? Je kunt je ook afvragen: Wat verdient mijn energie nog? Het is een vorm van wijsheid die minder spectaculair is dan de wijsheid waar we als jongere mensen naar op zoek waren.

De ontmoeting met jezelf in de spiegel vertrekt in zeker opzicht vanuit twee verschillende werkelijkheden. Er is de man voor het glas en de man achter het glas. In het gedicht van van Vliet is er eerder sprake van een confrontatie, die uitmondt in een duel:

Met gelijklopende gebaren, als twee heren
die duelleren, komen wij op elkaar af.

De spiegel maakt van het zelf een tegenstander waarmee moet geduelleerd, maar toch ook niet helemaal. Het zijn twee heren die tegenover elkaar komen te staan, niet twee vijanden. Ze hebben gelijklopende gebaren. De passage doet me onwillekeurig denken aan Schachnovelle van Stefan Zweig. Ook daar wordt een mens tegenover zichzelf geplaatst. Dr. B., door de Gestapo opgesloten en van vrijwel iedere menselijke prikkel beroofd, weet zich geestelijk staande te houden met een gestolen schaakboek. De schaakpartijen worden zijn toevlucht, maar wanneer hij ze steeds opnieuw uit het hoofd gaat spelen en uiteindelijk tegen zichzelf begint te spelen, wordt de redding een bedreiging. Hij splitst zich op in speler en tegenstander, in wit en zwart. Maar wat hem in leven hield, begint hem tegelijk van zichzelf te vervreemden.

Later, op een schip, komt hij opnieuw tegenover het schaakspel te staan. Hij aarzelt wanneer hij zich in een partij tegen de wereldkampioen dreigt te mengen. Die aarzeling is kort. Hij doet het toch. En met die ene stap naar voren opent zich een deur naar het verleden die nooit helemaal gesloten is geweest. De partij brengt niet alleen zijn schaaktalent terug, maar ook de psychische ontregeling die ermee verbonden is. Ontsluit de plek waar zijn vroegere waanzin nog altijd ligt opgeslagen.

Bij Zweig is die korte aarzeling de drempel naar een getormenteerd verleden. Vierenveertig doet iets veel stillers. Hier is de tegenstander geen krankzinnige dubbelganger, maar een vroegere en huidige versie van jezelf die elkaar in de spiegel ontmoeten, op zoek naar een moment van herkenning. Ze hoeven elkaar niet te verslaan. Ze moeten elkaar leren verdragen. Leren samenvallen. Zo lijkt het.

Maar dan komt het slot, dat die mogelijke verzoening onmiddellijk weer ondergraaft:

Na mij met hem aan gene zijde van
het spiegelend vlak te hebben opgesteld,
wacht ik op de weerkaatsing van wat bleef
en durf niet geloven wat ik zie: niets.

De vraag naar wat blijft na het samenvallen is de vraag die achter het hele gedicht schuilgaat. Niet: hoe oud ben ik geworden? Maar: wat is er van mij over wanneer ik terugkijk? Het woord niets komt hard aan. Zeker omdat je als lezer zou kunnen verwachten dat er een vorm van verzoening zal volgen. De man heeft zichzelf bekeken, tegenover zichzelf gestaan, zijn spiegelbeeld bijna als een gelijke ontmoet. Je zou kunnen verwachten dat hij uiteindelijk zegt: ja, dat ben ik. Maar zover gaat het gedicht niet. Er is niets. Of toch niets dat wordt teruggegeven.

Want een spiegel heeft geen geheugen. Een spiegel bewaart niets. Hij weet niet wie je twintig jaar geleden was. Hij kent de keuzes niet die je hebben gevormd. Hij weet niet hoeveel nachten, liefdes, mislukkingen, vriendschappen en omwegen er nodig waren om deze man voor het glas te krijgen. Hij toont alleen wat er nu staat, de aanwezigheid van het ogenblik. Dat is tegelijk wreed en bevrijdend. Enerzijds is de man niet meer wie hij was. Maar hij is ook nog niet iemand anders (en net daarom is hij zo moeilijk te herkennen). Hij staat daar. Vierenveertig. Met zijn groene ogen en zijn goed zittende jas. En met een leven achter zich dat niet kan worden overgedaan. Maar anderzijds hoeft die man ook niets terug te krijgen. Hij hoeft niet opnieuw twintig te worden. Hij hoeft zijn vroegere energie niet terug. Hij hoeft het verleden niet te herspelen om alsnog een betere zet te doen. Hij hoeft zelfs niet te ontdekken wat zijn leven betekent. Hij kan vierenveertig zijn. Met een lichaam dat er wat langer over doet om te herstellen. Met een leven dat niet overal even gesmeerd loopt. En met het besef dat sommige vragen niet opgelost hoeven worden om een goed leven mogelijk te maken.

In de korte aarzeling schuilt niet de angst voor ouderdom, maar de schrik voor de herkenning. Dat je op een dag beseft dat je niet langer op weg bent naar iemand die je zult worden. Je bent die iemand inmiddels geworden. Zonder plechtige aankondiging, zonder dat je precies kan aanwijzen wanneer het gebeurde. Daarom voelt Vierenveertig voor mij uiteindelijk niet als een gedicht over verval, maar over herkenning. Over het ogenblik waarop een mens merkt dat hij degene is geworden die hij al die tijd was en daar toch even van schrikt. De aarzeling duurt een seconde. Het begrijpen duurt langer. Misschien duurt het een leven. En misschien is dat niet erg. Want anders dan bij Zweigs Dr. B. hoeft de man in de spiegel niet tegen zichzelf te winnen. Hij hoeft alleen maar te blijven staan. Te kijken. En wanneer de man aan de andere zijde van het spiegelende vlak hem wenkt, voor het eerst niet meer te aarzelen.

Bron: Eddy van Vliet, De binnenplaats, De Bezige Bij, 1990

Auteur artikel: Edward Hoornaert