
Mooiste gezichtje dat geld me kon kopen, klop er een glimlach op
in de nacht word ik belaagd door motorrijders
hun lederen pakken bezet met diamanten en andere edelstenen
veelkleurige slangen, fonkelend in het licht van een
genadeloze middagzon
die het asfalt van de freeway doet smelten
ze sissen dat we gemaakt zijn voor werk en verveling
geplet onder de algoritmische bottines van de macht
[…]
(uit: Slangen, Dominique De Groen)
Dit gedicht voelt als een koortsdroom die zich afspeelt ergens tussen een Amerikaanse mythe, een Instagram-feed en het einde van de wereld. Alles glinstert: diamanten, slangen, sterren, schermen. Maar onder die schittering zit iets ongemakkelijks. Het gedicht beweegt voortdurend tussen verleiding en vervreemding. Het toont een wereld waarin schoonheid, technologie en verlangen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn geraakt, maar waarin diezelfde systemen de mens ook reduceren tot een verzameling beelden, data en gedragingen.
Die spanning wordt meteen zichtbaar in de openingsregel: ‘Mooiste gezichtje dat geld me kon kopen, klop er een glimlach op’. Het gezicht verschijnt hier niet als uitdrukking van een innerlijk leven, maar als een object dat kan worden aangeschaft en aangepast. Het is het resultaat van investering, optimalisatie en presentatie. Daarmee sluit het gedicht aan bij de kritiek van filosofe Rebekka Reinhard op de hedendaagse schoonheidscultus. Schoonheid draait steeds minder om expressie en steeds meer om beheersing. Het lichaam en vooral het gezicht worden projecten die voortdurend verbeterd, gecorrigeerd en geperfectioneerd moeten worden.
De formulering ‘gezichtje’ klinkt bijna teder, maar wordt onmiddellijk ondermijnd door de toevoeging ‘dat geld me kon kopen’. Liefde en consumptie schuiven over elkaar heen. Het gezicht van de ander wordt niet langer alleen bewonderd, maar ook beoordeeld op zijn maakbaarheid. In een cultuur waarin fillers, cosmetische ingrepen en digitale filters steeds normaler worden, wordt schoonheid iets dat geproduceerd kan worden. Het gezicht wordt een oppervlak waarop idealen, verwachtingen en economische belangen worden geprojecteerd.
De openingsregel doet bovendien denken aan het verhaal van Narcissus uit Ovidius’ Metamorfosen. Narcissus wordt verliefd op zijn eigen spiegelbeeld in het water en raakt zo gevangen in een beeld dat hij niet werkelijk kan bezitten. Waar Narcissus ten onder gaat aan zijn verlangen naar zijn eigen spiegelbeeld, dreigt de moderne mens zichzelf eveneens kwijt te raken in de voortdurende optimalisatie van zijn uiterlijk en identiteit.
Ook de tweede helft van het openingsvers (‘klop er een glimlach op’) is veelzeggend. De glimlach is geen spontane emotie meer, maar een onderdeel van de constructie. Zoals het gezicht kan worden gevormd, kan ook geluk worden toegevoegd. De regel raakt daarmee aan een bredere hedendaagse tendens waarin niet alleen schoonheid, maar ook tevredenheid en succes zichtbaar moeten zijn. Men moet er niet alleen goed uitzien, maar ook overtuigend gelukkig lijken.
Vanuit die persoonlijke en lichamelijke sfeer breidt het gedicht zich uit naar een veel grotere wereld. De motorrijders die de ik-figuur in de nacht belagen, verschijnen als groteske figuren uit een nachtmerrie. Hun leren pakken zijn bezet met diamanten en edelstenen, hun lichamen versmelten met ‘veelkleurige slangen’ die schitteren onder een genadeloze zon. Het beeld is overdreven en bijna hallucinant, maar juist daardoor wordt iets herkenbaars zichtbaar. De slangen verkondigen dat mensen gemaakt zijn voor ‘werk en verveling’, worden geplet onder de ‘algoritmische bottines van de macht’.

Die algoritmische macht is een van de centrale ideeën van het gedicht. De systemen die ons sturen hebben geen duidelijk gezicht meer. Er is geen traditionele machthebber die bevelen uitdeelt, maar een onzichtbare infrastructuur van aanbevelingen, advertenties, rankings en voorspellingen. Algoritmes bepalen steeds vaker wat we zien en kopen, en kunnen daardoor ook invloed krijgen op wat we gaan verlangen. Het gedicht maakt van die onzichtbare invloed een lichamelijk beeld. Macht krijgt schoenen en vertrapt ons.
Midden in die wereld verschijnt een vrouw die droomt van een bestaan uit mos: ‘een paleis van mos, een bed van mos, kleren van mos, zachte schoenen van mos’. In een gedicht vol hitte, asfalt, diamanten en digitale controle vormt mos een radicaal ander soort schoonheid. Het staat voor traagheid, kwetsbaarheid en verbondenheid met de natuurlijke wereld. Waar de rest van het gedicht draait om glans en optimalisatie, verlangt deze figuur naar iets dat niet gemaakt of verkocht hoeft te worden.
Haar zoektocht naar woorden – ‘planetaire nevels en, en…’, staart lange tijd in de camera, ‘… constellaties?’ – is veelzeggend. Ze lijkt een taal van verwondering terug te willen vinden. Tegenover de harde logica van data en consumptie staat een verlangen naar mysterie. De sterren kunnen gelezen worden als een alternatief voor de schermen waarop voortdurend nieuwe verlangens worden aangeboden.
Toch blijkt ook dat kosmische beeld niet meer volledig vrij. ‘Een dode ster wijst haar de weg over de dorre brandende heuvelflank’, terwijl in de ‘betaalomgeving’ tekens schitteren die alleen voor haar bedoeld zijn. Het gedicht vermengt hier religieuze en digitale beeldspraak. Waar mensen vroeger richting zochten in sterren, tekens en openbaringen, krijgen ze nu gepersonaliseerde signalen aangeboden door commerciële systemen. De hemel lijkt hier plaats te maken voor een interface. De sterrenbeelden worden algoritmische aanbevelingen.
Daarin ligt misschien de meest verontrustende gedachte van het gedicht. Zelfs onze keuzes die vrijwillig lijken, zijn niet volledig vrij. De versregel ‘de zwakke toestemming waarmee ik mijn data afgeef’ vat die dubbelheid scherp samen. Niemand wordt letterlijk gedwongen om gegevens af te staan, maar de vrijwilligheid is beperkt. We klikken op akkoord, accepteren voorwaarden en leveren voortdurend stukjes van onszelf in. Het gedicht maakt van die alledaagse handeling iets existentieels. Niet alleen onze informatie, maar ook onze aandacht en verlangens worden onderdeel van een groter systeem.
De wereld van het gedicht is daardoor tegelijk futuristisch en heel herkenbaar. De diamanten slangen, de brandende landschappen en de dode sterren lijken afkomstig uit een sciencefictionachtige droom, maar de mechanismen erachter zijn die van het dagelijks leven. Schoonheid wordt geoptimaliseerd, identiteit wordt gepresenteerd, gedrag wordt gestuurd. De mens bevindt zich tussen het verlangen naar authenticiteit en de druk om zichzelf voortdurend te verbeteren.
Dan die laatste quote van Cher waarmee het gedicht afsluit: ‘Mom, I am a rich man.’ Eerst klinkt die als een mic drop, een triomfantelijk statement van onafhankelijkheid. Maar na alles wat eraan voorafgaat krijgt de zin een meer dubbelzinnige betekenis. Wat betekent rijkdom eigenlijk nog in deze wereld? Is het vrijheid? Macht? Zelfbeschikking? Of is ook dat ondertussen een verhaal geworden dat we aan onszelf verkopen?
Het gedicht geeft geen eenvoudige antwoorden. Zijn kracht ligt juist in de botsing tussen mos en metadata, tussen sterren en schermen, tussen lichamelijke schoonheid en digitale optimalisatie. Het toont hoe vreemd het is om vandaag mens te zijn. We zijn voortdurend verbonden en toch nog altijd op zoek naar iets zachts om in te wonen.

(2022, Uitgeverij het balanseer)


