luchtmens

grond onder de voeten / hoofd dat hemelt


  • Tussen mos en metadata

    Mooiste gezichtje dat geld me kon kopen, klop er een glimlach op

    in de nacht word ik belaagd door motorrijders
    hun lederen pakken bezet met diamanten en andere edelstenen
    veelkleurige slangen, fonkelend in het licht van een
    genadeloze middagzon
    die het asfalt van de freeway doet smelten

    ze sissen dat we gemaakt zijn voor werk en verveling
    geplet onder de algoritmische bottines van de macht

    […]

    (uit: Slangen, Dominique De Groen)

    Dit gedicht voelt als een koortsdroom die zich afspeelt ergens tussen een Amerikaanse mythe, een Instagram-feed en het einde van de wereld. Alles glinstert: diamanten, slangen, sterren, schermen. Maar onder die schittering zit iets ongemakkelijks. Het gedicht beweegt voortdurend tussen verleiding en vervreemding. Het toont een wereld waarin schoonheid, technologie en verlangen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn geraakt, maar waarin diezelfde systemen de mens ook reduceren tot een verzameling beelden, data en gedragingen.

    Die spanning wordt meteen zichtbaar in de openingsregel: ‘Mooiste gezichtje dat geld me kon kopen, klop er een glimlach op’. Het gezicht verschijnt hier niet als uitdrukking van een innerlijk leven, maar als een object dat kan worden aangeschaft en aangepast. Het is het resultaat van investering, optimalisatie en presentatie. Daarmee sluit het gedicht aan bij de kritiek van filosofe Rebekka Reinhard op de hedendaagse schoonheidscultus. Schoonheid draait steeds minder om expressie en steeds meer om beheersing. Het lichaam en vooral het gezicht worden projecten die voortdurend verbeterd, gecorrigeerd en geperfectioneerd moeten worden.

    De formulering ‘gezichtje’ klinkt bijna teder, maar wordt onmiddellijk ondermijnd door de toevoeging ‘dat geld me kon kopen’. Liefde en consumptie schuiven over elkaar heen. Het gezicht van de ander wordt niet langer alleen bewonderd, maar ook beoordeeld op zijn maakbaarheid. In een cultuur waarin fillers, cosmetische ingrepen en digitale filters steeds normaler worden, wordt schoonheid iets dat geproduceerd kan worden. Het gezicht wordt een oppervlak waarop idealen, verwachtingen en economische belangen worden geprojecteerd.

    De openingsregel doet bovendien denken aan het verhaal van Narcissus uit Ovidius’ Metamorfosen. Narcissus wordt verliefd op zijn eigen spiegelbeeld in het water en raakt zo gevangen in een beeld dat hij niet werkelijk kan bezitten. Waar Narcissus ten onder gaat aan zijn verlangen naar zijn eigen spiegelbeeld, dreigt de moderne mens zichzelf eveneens kwijt te raken in de voortdurende optimalisatie van zijn uiterlijk en identiteit.

    Ook de tweede helft van het openingsvers (‘klop er een glimlach op’) is veelzeggend. De glimlach is geen spontane emotie meer, maar een onderdeel van de constructie. Zoals het gezicht kan worden gevormd, kan ook geluk worden toegevoegd. De regel raakt daarmee aan een bredere hedendaagse tendens waarin niet alleen schoonheid, maar ook tevredenheid en succes zichtbaar moeten zijn. Men moet er niet alleen goed uitzien, maar ook overtuigend gelukkig lijken.

    Vanuit die persoonlijke en lichamelijke sfeer breidt het gedicht zich uit naar een veel grotere wereld. De motorrijders die de ik-figuur in de nacht belagen, verschijnen als groteske figuren uit een nachtmerrie. Hun leren pakken zijn bezet met diamanten en edelstenen, hun lichamen versmelten met ‘veelkleurige slangen’ die schitteren onder een genadeloze zon. Het beeld is overdreven en bijna hallucinant, maar juist daardoor wordt iets herkenbaars zichtbaar. De slangen verkondigen dat mensen gemaakt zijn voor ‘werk en verveling’, worden geplet onder de ‘algoritmische bottines van de macht’.

    Die algoritmische macht is een van de centrale ideeën van het gedicht. De systemen die ons sturen hebben geen duidelijk gezicht meer. Er is geen traditionele machthebber die bevelen uitdeelt, maar een onzichtbare infrastructuur van aanbevelingen, advertenties, rankings en voorspellingen. Algoritmes bepalen steeds vaker wat we zien en kopen, en kunnen daardoor ook invloed krijgen op wat we gaan verlangen. Het gedicht maakt van die onzichtbare invloed een lichamelijk beeld. Macht krijgt schoenen en vertrapt ons.

    Midden in die wereld verschijnt een vrouw die droomt van een bestaan uit mos: ‘een paleis van mos, een bed van mos, kleren van mos, zachte schoenen van mos’. In een gedicht vol hitte, asfalt, diamanten en digitale controle vormt mos een radicaal ander soort schoonheid. Het staat voor traagheid, kwetsbaarheid en verbondenheid met de natuurlijke wereld. Waar de rest van het gedicht draait om glans en optimalisatie, verlangt deze figuur naar iets dat niet gemaakt of verkocht hoeft te worden.

    Haar zoektocht naar woorden – ‘planetaire nevels en, en…’, staart lange tijd in de camera, ‘… constellaties?’ – is veelzeggend. Ze lijkt een taal van verwondering terug te willen vinden. Tegenover de harde logica van data en consumptie staat een verlangen naar mysterie. De sterren kunnen gelezen worden als een alternatief voor de schermen waarop voortdurend nieuwe verlangens worden aangeboden.

    Toch blijkt ook dat kosmische beeld niet meer volledig vrij. ‘Een dode ster wijst haar de weg over de dorre brandende heuvelflank’, terwijl in de ‘betaalomgeving’ tekens schitteren die alleen voor haar bedoeld zijn. Het gedicht vermengt hier religieuze en digitale beeldspraak. Waar mensen vroeger richting zochten in sterren, tekens en openbaringen, krijgen ze nu gepersonaliseerde signalen aangeboden door commerciële systemen. De hemel lijkt hier plaats te maken voor een interface. De sterrenbeelden worden algoritmische aanbevelingen.

    Daarin ligt misschien de meest verontrustende gedachte van het gedicht. Zelfs onze keuzes die vrijwillig lijken, zijn niet volledig vrij. De versregel ‘de zwakke toestemming waarmee ik mijn data afgeef’ vat die dubbelheid scherp samen. Niemand wordt letterlijk gedwongen om gegevens af te staan, maar de vrijwilligheid is beperkt. We klikken op akkoord, accepteren voorwaarden en leveren voortdurend stukjes van onszelf in. Het gedicht maakt van die alledaagse handeling iets existentieels. Niet alleen onze informatie, maar ook onze aandacht en verlangens worden onderdeel van een groter systeem.

    De wereld van het gedicht is daardoor tegelijk futuristisch en heel herkenbaar. De diamanten slangen, de brandende landschappen en de dode sterren lijken afkomstig uit een sciencefictionachtige droom, maar de mechanismen erachter zijn die van het dagelijks leven. Schoonheid wordt geoptimaliseerd, identiteit wordt gepresenteerd, gedrag wordt gestuurd. De mens bevindt zich tussen het verlangen naar authenticiteit en de druk om zichzelf voortdurend te verbeteren.

    Dan die laatste quote van Cher waarmee het gedicht afsluit: ‘Mom, I am a rich man.’ Eerst klinkt die als een mic drop, een triomfantelijk statement van onafhankelijkheid. Maar na alles wat eraan voorafgaat krijgt de zin een meer dubbelzinnige betekenis. Wat betekent rijkdom eigenlijk nog in deze wereld? Is het vrijheid? Macht? Zelfbeschikking? Of is ook dat ondertussen een verhaal geworden dat we aan onszelf verkopen?

    Het gedicht geeft geen eenvoudige antwoorden. Zijn kracht ligt juist in de botsing tussen mos en metadata, tussen sterren en schermen, tussen lichamelijke schoonheid en digitale optimalisatie. Het toont hoe vreemd het is om vandaag mens te zijn. We zijn voortdurend verbonden en toch nog altijd op zoek naar iets zachts om in te wonen.

    (2022, Uitgeverij het balanseer)

  • De afdruk van een ogenblik

    De reiziger (pauze)

    Er is een aangename stilte
    tussen hen.
    vloeibaar zoals de scherpe witte wijn
    en als het hete druppelende was
    dat opgevangen met zijn vingertoppen
    langzaam stolt.
    Voorzichtig met de nagels losgemaakt
    laat hij de zachte kapsels achter
    op het marmer van de tafel –
    zijn vage vingerafdrukken
    eringeprent.

    (Uit: Het souvenirswinkeltje van Lukas, Patricia Lasoen)

    In 1972 verscheen Het souvenirswinkeltje van Lukas bij Paris-Manteau, in de prestigieuze poëziereeks die onder redactionele leiding stond van Paul Snoek. Als dichter en reeksleider gaf Snoek er een podium aan een nieuwe generatie Vlaamse dichters, onder wie Patricia Lasoen. Hoewel haar poëzie vaak met het Vlaams nieuw-realisme wordt verbonden, toont deze bundel al hoe haar werk zich niet zonder meer binnen dat kader laat lezen.

    De reiziger (pauze) is het vierde gedicht van een cyclus van zeven gedichten rond de figuur van de reiziger waarmee Het souvenirswinkeltje van Lukas opent. De cyclus leest als een fragmentarisch levensverhaal waarin een raadselachtige vreemdeling achtereenvolgens verschijnt, zich hecht, afscheid neemt, met geweld wordt geconfronteerd en uiteindelijk ook zichzelf dreigt te verliezen. Tegen die narratieve achtergrond neemt De reiziger (pauze) een bijzondere plaats in. Precies halverwege de cyclus onderbreekt Lasoen de voortgang van het verhaal met een ogenblik van verstilling. Niet de reis of de gebeurtenissen staan hier centraal, maar een gedeelde stilte waarin de tijd even lijkt stil te vallen. Daardoor wordt dit gedicht het emotionele middelpunt van de cyclus, een kortstondig moment van nabijheid dat achteraf des te kostbaarder blijkt, omdat de lezer weet dat het niet zal standhouden.

    Lasoen laat zien hoe poëzie het nauwelijks waarneembare kan vasthouden. Het gedicht speelt zich af in de ruimte tussen twee woorden, in een stilte die niet leeg is, maar geladen. De reiziger is niet zozeer iemand die zich door de ruimte beweegt, als wel iemand die voor een ogenblik buiten de tijd lijkt te staan. Het woord pauze in de titel duidt op de tijdelijke stilstand die het gedicht binnen de cyclus vormt, een ogenblik waarin de wereld haar haast verliest en de aandacht zich volledig richt op het vluchtige.

    Opmerkelijk is hoe Lasoen die stilte niet abstract houdt, maar haar een materiële vorm geeft. Ze is ‘vloeibaar zoals de scherpe witte wijn’, vervolgens ‘als het hete druppelende was / dat opgevangen met zijn vingertoppen / langzaam stolt’. De beeldspraak volgt een subtiele transformatie. Wat eerst vloeibaar is, krijgt langzaam een vaste vorm. Het ongrijpbare wordt tastbaar, de stilte krijgt als het ware een huid.

    De gestolde was vormt dunne omhulsels rond de vingertoppen, die voorzichtig worden losgemaakt en op het koele marmer achterblijven. In die fragiele vormen staan de vingerafdrukken geprent. Het slotbeeld is daarom bijzonder ontroerend. De zachte waskapsels blijven achter op het marmer, met de afdruk van de vingers erin. Zij zijn tegelijk uiterst tijdelijk – een zucht of een beweging volstaat om ze te doen verdwijnen – en verrassend duurzaam, omdat ze een herinnering bewaren. Lasoen suggereert dat menselijke nabijheid zich niet vastzet in verklaringen of beloften, maar in kleine materiële resten: een afdruk, een spoor, een object dat getuigt van een gedeeld ogenblik.

    Dat de afdruk zo centraal staat, is niet toevallig. Het beeld verwijst naar een oude cultuurhistorische symboliek. Sinds de Oudheid werd was gebruikt om te schrijven, te verzegelen en indrukken vast te leggen. In de klassieke filosofie vergelijkt Plato het geheugen met een wastablet waarin ervaringen zich afdrukken. Ook bij Lasoen blijft niet de gebeurtenis zelf bewaard, maar het spoor dat zij nalaat. Vanuit dat perspectief krijgt ook de bundeltitel Het souvenirswinkeltje van Lukas een bijzondere bijklank. Een souvenir bezit immers nauwelijks materiële waarde, het ontleent zijn betekenis aan de herinnering die erin besloten ligt. De achtergelaten waskapsels functioneren precies als zo’n souvenir. Ze bewaren niet de ontmoeting zelf, maar de stille aanwezigheid ervan.

    Binnen de cyclus krijgt dat spoor nog een diepere betekenis. Na deze pauze volgen de scheiding, de moord en ten slotte het geleidelijke verlies van identiteit. De reiziger houdt zich in het laatste gedicht wanhopig vast aan namen, woorden en kenmerken ‘om niets te vergeten’. De afdrukken in de was blijken achteraf de eerste tastbare tekens van wat de hele cyclus zal bezighouden, namelijk de poging van de reiziger – en misschien van ieder mens – om iets van zichzelf en van zijn ontmoetingen te bewaren in een wereld waarin alles onvermijdelijk verdwijnt.

    De reiziger (pauze) is daarom niet alleen een gedicht over een intieme stilte, maar ook het kwetsbare geheugen van de hele cyclus. Het is het moment waarop de reiziger nog niet wordt getekend door het verlies dat later in de cyclus volgt, terwijl de lezer achteraf beseft dat juist deze broze, haast onopgemerkte herinnering het enige is wat werkelijk standhoudt.

    Tegelijk sluit het gedicht aan bij een bredere lijn in Het souvenirswinkeltje van Lukas. Naast de meer observerende gedichten, waarin de werkelijkheid nauwkeurig wordt geregistreerd, zijn er ook verhalende en portretterende teksten waarin die werkelijkheid persoonlijker, beeldender en melancholischer wordt. De reiziger (pauze) is daarvan een treffend voorbeeld. Het gedicht is een verhalend miniatuur, een portret van een ogenblik waarin een zintuiglijke ervaring – de wijn, de was, de afdruk van de vingers – wordt omgevormd tot een geladen beeld van herinnering en vergankelijkheid. In die combinatie van concrete waarneming en innerlijke beleving ligt al iets besloten van de richting die Lasoens latere poëzie zou nemen.

  • Bij een fragment (2) – Moet dwalen

    Ze struikelen over de vele keien en de wirwar van slierten, takken en openliggende boomwortels. Ze soppen in hun schoenen vanwege minigootjes en verborgen plekjes moerasgrond. Nee, dit is geen dolen, dit is ploegen. Met man en macht spant het bos tegen hen samen, dat mag duidelijk zijn. En wie hier niet over dezelfde man en macht beschikt stelt weinig voor. Dan te bedenken dat er bushcrafters bestaan die grif voor zulke beproevingen betalen. Dat horden mensen boeken voor peperdure endurance- of survival-tochten in uitheemse oorden, tot in Afrika toe. Uit vrije wil! Omdat ze van mening zijn dat overleven spannender is dan leven, en zich verheugen op buitenseks en bosvlees. Hedonisme in zijn meest belabberde vorm. Of masochisme, dat kan ook.

    Hoewel Isi in gedachten bij zijn allerliefste is, begint hij te smachten naar koolmonoxide, naar een stad vol auto’s, scooters en bussen, waar het nooit donker wordt, waar plaveisel ligt, en liters bier vloeien. Dan maar geen Bel Horizon, dan maar stank en geluidsoverlast, dan maar zwarte longen. Hij kan geen natuur meer zien en smacht naar steen, naar gewapend beton, naar staalslakken, naar het fijnste van alle fijnstoffen tot diep in zijn longen, naar een sprankje beschaving, een zweempje hartelijkheid, een gulle lach. Als hij niet in Haar kan onderduiken dan zal hij zijn heil wel zoeken in cynisme, smerigheid en een bain de foule. Even kans maken op vrijpostigheden zoals een aanraking, wat vriendelijkheid of een aanminnige blik. Shoppen, miskopen doen, feestvieren, dansen, schelden, neuken, tieren, consumeren! Bossen mogen er best zijn met hun stramme houding en hun imponerende loden jassen. Maar een stad is guller en minder zwaar gekleed, en heeft tenminste straten. En aan die straten liggen huizen, en die huizen hebben muren, en die muren hebben deuren. En bij hoge uitzondering gaat zo’n deur nog voor je open ook. En dat er dan iemand op de drempel staat die jou omarmt en zonder argwaan binnenlaat: ‘Entrez, mijn beste. Je hoeft niks uit te leggen, ik zie zo wel wat er in jou omgaat.’ En dat hij dan onthaald wordt op tomatensoep, gerookte ossenworst, een knuffel en een goed glas wijn. Om en nabij de situatie zoals die geschetst wordt in het liedje ‘L’Auvergnat’ van Georges Brassens. Die onverwachte hartelijkheid van een onbekende die zomaar op je pad komt en bereid is om jou te verwarmen zonder tegenprestatie. Gewoon omdat hij je ziet zitten. Gewoon omdat hij jou aardig en aantrekkelijk vindt en de moeite waard. Gewoon dát dus. Maar dit dat komt wel op het belangrijkste van het hele leven neer. Ja, een stad is toch wel een zalig oord waar de zwaarste tobberijen soms zomaar van je afvallen. Niet voor niets wordt er op het platteland verhoudingsgewijs zoveel meer gezelfmoord. Hij mag dan een natuurminnaar zijn, op dit moment voelt hij zich een echte stadsrat.

    (Uit: Moet dwalen, Charlotte Mutsaers, Prometheus, 2026, pp. 105-106)

    Wie ooit de weg kwijtraakte in een bos, weet dat de natuur niet altijd geruststelt en dat de stad, ondanks al haar rumoer, soms meer geborgenheid biedt dan het omringende groen. Dat de natuur een zuivere bron van rust is en de stad een poel van vervreemding, behoort tot de hardnekkigste clichés van de romantiek. In dit fragment uit Moet dwalen haalt Charlotte Mutsaers dit stereotiepe beeld echter met speelse overtuiging onderuit.

    Daarin staat ze overigens niet alleen. De radicale perspectiefverschuiving die zij doorvoert – waarbij niet de stad, maar het bos als beklemmend en vijandig wordt ervaren – sluit aan bij een literaire contra-traditie die zich afzet tegen de romantische idealisering van de natuur. Waar romantische auteurs het landschap opvoerden als een bron van zuiverheid, waarheid en innerlijke harmonie, verschijnt het bij Mutsaers juist als een weerbarstige, ontregelende omgeving.

    Het bos is hier geen schilderachtig decor, maar een actieve macht die ‘met man en macht’ lijkt samen te spannen tegen de voortploeterende mens. Keien, modder en blootliggende boomwortels vormen geen pittoreske details, maar obstakels die weerstand bieden aan elke stap vooruit. Verdwalen krijgt daardoor niets idyllisch of romantisch, het mondt uit in fysieke uitputting en een ontwrichtende desoriëntatie.

    Die beklemmende ervaring roept onmiddellijk de echo op van een van de beroemdste openingsbeelden uit de wereldliteratuur: ‘Nel mezzo del cammin di nostra vita / mi ritrovai per una selva oscura’ (Divina Commedia, Dante Alighieri). Bij Mutsaers klinkt dit verderop in de roman zo: ‘Op ’t midden van ons levenspad gekomen, / kwam ik bij zinnen in een donker woud’. Net als bij Dante is dit woud niet zomaar een geografische plek, maar een spirituele staat van zijn. Het is de selva oscura waarin de rechte weg verloren is gegaan en de menselijke maat ontbreekt. Deze natuur bezit niets moederlijks of troostends meer. Ze sluit zich als een onverschillige massa van vocht en duisternis om de personages heen. Isi struikelt daardoor niet alleen over tastbare takken, maar vooral over zijn eigen innerlijke ontreddering.

    In die verstikkende claustrofobie van het groen doorprikt Mutsaers bovendien de hedendaagse cultus van survival en bushcraft. Ze ontmaskert peperdure endurance-tochten in uitheemse oorden sardonisch als ‘hedonisme in zijn meest belabberde vorm’ of plat masochisme. De natuur kan immers pas een idylle worden als je de luxe hebt om er weer uit te vertrekken. De hippe aanname dat ‘overleven spannender is dan leven’ wordt genadeloos gecounterd door de rauwe realiteit van de uitputting. De mens leeft immers niet van de heroïek van pure autonomie, maar van de kwetsbaarheid van het alledaagse bestaan.

    In confrontatie met de harde geslotenheid van de natuur ontstaat er bij protagonist Isi dan ook een verrassend verlangen naar de stad. Dit verlangen wordt bewust gekoppeld aan onaantrekkelijke stedelijke kenmerken. Isi smacht naar koolmonoxide, ronkende bussen, zwarte longen en ‘het fijnste van alle fijnstoffen’. Onder deze ironische, provocerende overdrijving schuilt echter een diepe, ernstige hunkering naar menselijke nabijheid. Waar het bos de mens isoleert, biedt de geconstrueerde wereld van steen en gewapend beton juist een bedding voor de medemens.

    Deze stedelijke lofzang lijkt zich te ontvouwen als een ‘architectuur van de ontwapening’. Straten leiden naar huizen, huizen hebben muren, muren hebben deuren, en heel soms gaat er eentje open. Waar muren doorgaans worden geassocieerd met scheiding, creëren ze hier juist bijna een architectonische voorwaarde voor gastvrijheid en ware ontmoeting. Ontmoeten wordt hier het letterlijk opheffen van het moeten, van de dwingende overlevingsstrijd die het bos dicteert. In de natuur moet men standhouden, in de stad mag men simpelweg bestaan.

    De beschaving biedt hier wat de natuur weigert, namelijk een warm onthaal zonder tegenprestatie of achterdocht. Mutsaers maakt dit verlangen invoelbaar door het uiterst concreet en alledaags te houden. Geen abstracte humanitaire idealen, maar tastbare tekens van zorg en erkenning: een bord ‘tomatensoep, gerookte ossenworst, een knuffel en een goed glas wijn’. Het is de exacte belichaming van de onverwachte goedheid die Georges Brassens bezingt in zijn chanson L’Auvergnat. Die van de vreemdeling die zomaar een vuur voor je aansteekt en je warmte geeft terwijl ieder ander de deur voor je neus dichtslaat, zonder iets terug te verwachten.

    Met de paradoxale slotzin ‘Hij mag dan een natuurminnaar zijn, op dit moment voelt hij zich een echte stadsrat’ sluit de roman aan bij het fundament van de modernistische literatuur. Binnen deze traditie wordt de metropool niet herleid tot louter vervuiling en moreel verval, maar juist gevierd als een dynamisch knooppunt van intensiteit, toevalligheid en existentiële vrijheid. De stad vormt de noodzakelijke tegenpool van de landelijke isolatie.

    Isi’s expliciete hunkering naar een bain de foule is meteen een knipoog naar het universum van Charles Baudelaire. In zijn essaybundel Le Peintre de la vie moderne en in zijn prozagedichten van Le Spleen de Paris introduceerde Baudelaire de figuur van de flâneur: de doelloze, hartstochtelijke toeschouwer die zijn thuis kiest in het vluchtige en het mobiele van de massa. Voor Baudelaire was de stad een alchemistische smeltkroes, een plek waar de dichter de grauwheid van het moderne bestaan kon omsmelten tot pure poëzie. De straat en de menigte vormen bij hem geen bedreiging, maar juist de plek waar de moderne mens via toevallige ontmoetingen zijn eigen bestaan spiegelt en deelt.

    Ook James Joyce tilde in zijn meesterwerk Ulysses de stad op tot een complete kosmos waarin de totaliteit van het menselijk leven besloten ligt. Ondanks zijn intense haat-liefdeverhouding met zijn geboortegrond, zag hij de metropool als de ultieme, pulserende inspiratiebron. Dublin bood hem de anonimiteit en kosmopolitische vrijheid die de verstikkende afzondering hem ontzegde. Zelfs bij een auteur zoals Franz Kafka, die de stad schetst als een ondoordringbaar, bureaucratisch labyrint, blijft het ook daar de enige plek waar de menselijke complexiteit überhaupt zichtbaar en voelbaar wordt. De echte leegte en vervreemding liggen immers buiten de beschaving, in de kille stilte van het onmenselijke landschap.

    Mutsaers’ fragment herinnert ons via deze vertrouwde literaire tradities aan een even kil als reëel gegeven, namelijk dat er op het platteland verhoudingsgewijs zoveel meer ‘gezelfmoord’ wordt omdat de natuur er onverschillig zwijgt. De mens is ten diepste geen wezen dat opgaat in het bos, maar een kwetsbaar wezen dat leeft van blikken, stemmen en aanrakingen. De stad, met al haar stank, rumoer en kunstmatigheid, is in Moet dwalen niet de plaats van de vervreemding, maar juist de plek waar het leven (in al zijn complexiteit én nabijheid) weer echt mogelijk wordt.

    (2025, Uitgeverij Prometheus)