luchtmens

online literair tijdschrift


Een stem uit hout

Boomgedicht

Zoveel als deze boom heb ik nooit beloofd:
mijn schaduw is minder, mijn nutteloze insekten tieren
weliger,
geen konijnen nestelen aan mijn voet.

Wèl is mijn schors schor en hees
en ik overschreeuw mijzelf dagelijks met kinderen
en bladeren.

Traag en moeizaam is mijn ringen
en even moeizaam wen ik aan het snoeien van handen,
de taal die mensen spreken.
Uit mijn hout worden geen goden gesneden,
ook zonder hen wordt mijn hout ouder.

Soms is het in mijn merg zo onophoudelijk donker
als in het windstil centrum van een ziekte;
je hoort er mensen als marmotten piepen
diep uit de zwartste zwammen van hun menszijn.

Maar jij die uit dit hout een stem wilt snijden,
snijd een stem. Zoals mijn litteken is zing ik. 

Mijn litteken is mijn sieraad.

(Uit: Lady Godiva op scooter, Sybren Polet, 1960)

Sybren Polet (1924–2015) neemt een bijzondere plaats in binnen de Nederlandse naoorlogse literatuur. Zijn werk sluit aan bij het experimentele elan van de Vijftigers, maar ontwikkelt zich tegelijk in een eigen richting. Waar de Vijftigers de taal vaak losmaken van een herkenbare werkelijkheid, onderzoekt Polet juist hoe taal de werkelijkheid kan veranderen en vervormen. In Boomgedicht is de boom dan ook geen toevallig natuurbeeld. In de bundel waarvan het gedicht deel uitmaakt, valt een voortdurende neiging op om het abstracte lichamelijk en het menselijke dierlijk of plantaardig te maken. Die vermenging van uiteenlopende werelden blijkt al uit de titel Lady Godiva op scooter, waarin een middeleeuwse legendarische vrouw en een modern voertuig op absurde wijze samenkomen. De bundeltitel is ontleend aan het gelijknamige gedicht dat helemaal aan het eind van de bundel staat en een uitbundige fantasie is waarin scooter, lichaam, bloemen, bomen, erotiek, literatuur en vrijheid door elkaar lopen. De wereld wordt er voortdurend getransformeerd. De scooter is bijvoorbeeld ‘een mensvormig veulen’. En dat is precies wat in Boomgedicht gebeurt, maar dan in een veel donkerder register. Je zou kunnen zeggen dat de bundel één grote oefening is in metamorfose.

Door de manier waarop de dichter de boom benoemt en verbeeldt, ontstaat een nieuwe werkelijkheid. Klank speelt daarin een belangrijke rol. Zo ontstaat in de combinatie ‘kinderen / en bladeren’ een klankmatige verbinding tussen menselijke en natuurlijke elementen. Dat de boom zelf heel dicht bij taal staat, blijkt ook uit de formulering ‘het snoeien van handen, / de taal die mensen spreken’. En vervolgens lezen we: ‘jij die uit dit hout een stem wilt snijden’. De boom is dus niet alleen natuur. Het hout zelf wordt taalmateriaal. Snoeien is letterlijk wat handen met een boom kunnen doen, maar krijgt hier ook een figuurlijke betekenis. Taal is eveneens een vorm van selectie. Je haalt weg, kiest en begrenst, snoeit de werkelijkheid om haar hanteerbaar te maken. Voor een schrijver is dat bijzonder relevant. Ook schrijven is snoeien. Wat aanvankelijk lichamelijk of botanisch lijkt, blijkt uiteindelijk iets te zeggen over taal en kunstenaarschap. De stem ontstaat niet ondanks de beperkingen van het materiaal, maar juist dankzij die beperkingen. Zoals je niet willekeurig alles uit het hout kunt snijden, beschikt ook de kunstenaar niet over volledige vrijheid. Het materiaal stelt immers zijn eigen voorwaarden.

Boomgedicht begint met een intrigerende openingszin: ‘Zoveel als deze boom heb ik nooit beloofd’. Opvallend is dat beloven een menselijke handeling is. De dichter brengt zo meteen twee werelden samen die op het eerste gezicht niet bij elkaar horen. Enerzijds is er de biologische wereld van de boom en anderzijds de menselijke wereld van verwachting en belofte. Daarna volgt een opsomming van de tekortkomingen van het vertellende subject: zijn schaduw is ‘minder’, zijn insecten zijn ‘nutteloos’. Ook nestelen er geen konijnen aan zijn voet. Vervolgens vervaagt de grens tussen boom en mens steeds verder. De schors krijgt bijvoorbeeld een stem. Schors wordt schor, schor wordt hees en hees mondt uit in schreeuw. De woorden liggen niet alleen semantisch in elkaars buurt, ze lijken ook fonetisch uit elkaar voort te vloeien. De opeenvolging van sch-klanken heeft bovendien iets schurends. De taal lijkt de ruwe textuur van de bast na te bootsen. Een dergelijk associatief klankspel komt vaker voor in Polets werk.

In de volgende strofe wordt de boom opnieuw geconfronteerd met de menselijke behoefte om betekenis aan hem toe te kennen: ‘Uit mijn hout worden geen goden gesneden, / ook zonder hen wordt mijn hout ouder.’ Het gedicht weigert het bestaan of het ouder worden mooier of verhevener te maken dan het is. Ook de klank ondersteunt die gedachte. Hout en ouder delen de zware ou-klank, waardoor ouder bijna uit hout lijkt voort te komen. Zo versterkt de klankverbinding de gedachte dat ouderdom inherent is aan het materiaal zelf. Ook het geloof in een hogere macht verandert niets aan het onvermijdelijke verouderingsproces en het verval waaraan ook de mens onderhevig is.

Vanaf hier wordt het gedicht donkerder. We gaan van schors naar merg, van de buitenkant naar het binnenste: ‘Soms is het in mijn merg zo onophoudelijk donker / als in het windstil centrum van een ziekte’. Merg is letterlijk het binnenste van de boom, maar wordt hier ook een beeld voor het innerlijke van de mens. De vergelijking met het ‘centrum van een ziekte’ is bijzonder beklemmend. Het gaat niet om gewone donkerte, maar om een windstille ruimte waarin elke beweging en elke mogelijkheid tot ontsnapping lijken te ontbreken. Die beklemmende toestand getuigt van de onmacht om vol vertrouwen in het leven te staan. In die verstikkende stilte hoor je ‘mensen als marmotten piepen’. De mens spreekt niet eens meer, maar piept, alsof hij zijn menselijke waardigheid heeft verloren. De vergelijking met marmotten maakt hem dierlijk en bijna grotesk. De volgende regel, ‘diep uit de zwartste zwammen van hun menszijn’, maakt die verschuiving nog radicaler. Zwammen en zwartste liggen fonetisch dicht bij elkaar door hun zw-aanzet. Het abstracte menszijn wordt hier verbonden met iets organisch, schimmelachtigs en rottends. De boom was vanaf het begin al geen klassieke romantische natuurmetafoor. Nu blijkt hij niet alleen ouderdom, maar ook ziekte, verval en dood in zich te dragen. De mens staat dus niet buiten de natuur om haar te beheersen, maar maakt zelf deel uit van dezelfde processen van groei, aantasting en verval.

Tot hiertoe heeft het gedicht zich steeds verder naar binnen bewogen. Dan volgt een wending: ‘Maar jij die uit dit hout een stem wilt snijden, / snijd een stem.’ De dichter richt zich tot diegene die uit het materiaal een stem wil maken. Dat kan de kunstenaar of dichter zijn, maar ook ieder mens die probeert zijn ervaring in taal te vatten. Het beslissende woord is snijden. De stem wordt niet eenvoudigweg gevonden, zij moet uit het hout worden gesneden. Die ingreep is een verwonding, maar tegelijk een bron van schoonheid, zoals blijkt uit de verzen ‘Zoals mijn litteken is zing ik. / Mijn litteken is mijn sieraad’.

Toch hoeft de aangesprokene niet uitsluitend de kunstenaar of dichter te zijn. Het woord jij kan ook een geliefde oproepen, iemand die uit het hout van de ander een stem probeert vrij te maken en dieper wil doordringen dan wat aan de buitenkant zichtbaar is. In die lezing krijgt het snijden ook een intieme betekenis. De geliefde probeert de ander te verstaan, maar raakt daarbij onvermijdelijk aan diens kwetsbaarheid en littekens. De ingreep kan pijn doen, maar maakt tegelijk iets hoorbaar wat anders verborgen zou blijven. Of de aangesprokene nu de kunstenaar, een geliefde of beide tegelijk is, blijft open. Juist die dubbelzinnigheid is betekenisvol. Zowel kunst als liefde kan worden opgevat als een poging om door te dringen tot wat in een ander of in het materiaal besloten ligt, zonder de sporen van diens geschiedenis uit te wissen.

De spreker zingt niet simpelweg ondanks zijn litteken. Het gaat niet om een eenvoudige overwinning op het lijden, alsof de wond hem sterker heeft gemaakt. Het gedicht formuleert iets radicalers: ‘Zoals mijn litteken is, zo zing ik.’ De verwonding wordt niet overwonnen of uitgewist, maar maakt wezenlijk deel uit van de stem en van het zingen zelf. Dat kleine woord zoals is cruciaal. De wond staat niet tegenover de stem, maar bepaalt mede haar vorm. De stem heeft de vorm van de beschadiging aangenomen.

Daarmee krijgt het eerdere motief van snoeien en snijden extra betekenis. Het zijn verwondende handelingen, maar ze brengen tegelijkertijd vorm voort. Wat het hout beschadigt, maakt tegelijkertijd iets zichtbaar. Het litteken wordt zo geen toevallig spoor uit het verleden, maar een onderdeel van de uiteindelijke gedaante. De klankontwikkeling van het gedicht ondersteunt die beweging. De taal evolueert van schor en hees naar zingen. De aanvankelijke ruwheid van de stem maakt plaats voor expressie, waarin de littekens betekenis krijgen. Via taal kunnen we uitdrukking geven aan de littekens die een mens mee vormgeven.

Zo wordt Boomgedicht ook een poëtica. Het gedicht vertelt niet alleen wat een stem is, maar laat horen hoe zij ontstaat. Ze groeit uit de weerbarstigheid van het materiaal, uit ouderdom, snoeien, het niet voldoen aan verwachtingen en uit het litteken. Het litteken wordt geen bewijs van mislukking of beschadiging. De wond is geen gebrek dat eerst overwonnen moet worden voordat kunst kan ontstaan. Het litteken wordt de plaats waar de stem begint te zingen. Het wordt uiteindelijk zelfs een sieraad.

Van beschadiging een vorm van expressie maken, is een thema dat ook bij andere dichters voorkomt. Een interessante vergelijking is die met het gedicht Lady Lazarus van Sylvia Plath. Ook bij Plath komt een beschadigd lichaam tot spreken, maar de manier waarop die beschadiging vorm krijgt, verschilt van die bij Polet. Juist door die vergelijking wordt duidelijk hoe verschillend dichters de verhouding tussen lichamelijke kwetsbaarheid en expressie kunnen verbeelden. Bij beiden wordt de wond meer dan een teken van lijden. Ze wordt verbonden met het ontstaan van een eigen stem. Maar waar Polet de stem laat voortkomen uit het materiaal zelf, maakt Plath van de beschadiging een confronterende vorm van zelfexpressie en zet ze de vernietiging van het menselijke lichaam om in een theatrale wedergeboorte. Daarbij stelt de spreker haar littekens nadrukkelijk tentoon. Ze ontleent er zelfs een vorm van macht en zelfexpressie aan: ‘There is a charge / For the eyeing of my scars’ en ‘Out of the ash / I rise with my red hair’. De beschadiging wordt onderdeel van een provocerende enscenering waarin de spreker zichzelf telkens opnieuw tot leven wekt. De blik van de ander maakt deel uit van die voorstelling, maar de spreker probeert tegelijk zelf de regie te voeren over de manier waarop zij wordt bekeken.

Het gedicht Lady Lazarus werd voor het eerst in de bundel Ariel (1965) gepubliceerd.

Bij Polet verloopt die beweging minder spectaculair, maar daarom niet minder fundamenteel. In Boomgedicht krijgt een vermenselijkte boom een stem die voortkomt uit zijn ouderdom, zijn littekens en zijn donkere merg. Waar Plath de vernietiging omzet in een theatrale herrijzenis, ontstaat bij Polet de stem vanuit het materiaal zelf, uit wat de boom heeft doorstaan en wat onuitwisbaar in hem aanwezig blijft. De boom stijgt niet boven zijn beschadiging uit, maar zingt zoals hij is. In beide gedichten wordt de wond zo meer dan een teken van lijden. Ze wordt de oorsprong van een eigen stem en daarmee van expressie en kunst.

Ook het idee van metamorfose verbindt beide gedichten. Iets moet zijn oorspronkelijke vorm verliezen om in een andere gedaante te verschijnen. Bij Plath maakt de ik-figuur van haar eigen vernietiging een performance: ‘Dying / Is an art’. Bij Polet verschuiven de grenzen tussen mens, boom en lichaam totdat uit het hout een stem ontstaat die zingt ‘zoals mijn litteken’. De vergelijking maakt zo duidelijk dat beschadiging niet alleen een thema is waarover de dichter schrijft, maar ook iets wat de vorm en de expressie van het gedicht bepaalt.

Daarmee eindigt het gedicht waar het in zekere zin al vanaf de eerste regel naartoe werkte. De boom blijkt geen zwijgend natuurobject te zijn, maar een lichaam dat spreekt. Zijn ouderdom, beschadiging en onvolmaaktheid zijn geen obstakels voor die stem, ze vormen haar. Het hout wordt taal, de wond wordt vorm en het litteken wordt sieraad. Daarom is Boomgedicht een centrale tekst in de bundel. Het gedicht laat in een compacte vorm zien wat Polet met poëzie wil doen. Hij wil de werkelijkheid niet beschrijven zoals ze is. Hij wil haar van gedaante laten veranderen. Een boom wordt een mens. Een mens wordt een boom. Een boom wordt hout. Hout wordt taal. Taal wordt stem. Een verwonding wordt zang. Een litteken wordt sieraad.

Bronnen:

Calis, P. (1963). De werkelijkheid anders, zichtbaarder. Maatstaf.
Polet, S. (1959). Boomgedicht. Gard Sivik.
Polet, S. (1971). Boomgedicht. In Persoon/onpersoon. De Bezige Bij.

Auteur artikel: Annika Cannaerts