Luchtmens, het enige literair salon waarvan de affiche na datum verschijnt. Met alle namen. Niet als aankondiging, maar als herinnering.

Luchtmens, het enige literair salon waarvan de affiche na datum verschijnt. Met alle namen. Niet als aankondiging, maar als herinnering.

‘Stiller dan de mot in het gordijn worden we haast nooit’
(Uit: Waakzaam, Maarten Inghels)
De mot is wellicht één van de meest intrigerende dieren in de poëzie. En niet in het minst omwille van de ambigue symboliek die ze met zich mee draagt. Ze beweegt zich in een schemergebied tussen aantrekking en ondergang, tussen kwetsbaarheid en koppigheid, tussen schoonheid en verval. Waar de vlinder zich moeiteloos laat bewonderen in het volle daglicht, leeft de mot in de marge van de nacht – minder zichtbaar, minder geliefd, maar des te mysterieuzer.
Misschien is het precies daarom dat dichters steeds opnieuw naar haar terugkeren. De mot belichaamt een verlangen dat zichzelf niet helemaal begrijpt. Ze cirkelt om het licht alsof daarin een waarheid verscholen ligt die groter is dan haar eigen bestaan. Maar hetzelfde licht dat haar lokt, kan haar ook vernietigen. In dat roekeloze naderen schuilt iets diep menselijks, namelijk de neiging om ons over te geven aan wat ons tegelijk aantrekt en verwondt.
De vlinder krijgt kleur, ondergaat een metamorfose en oogst bewondering terwijl de mot de stilte van nachtelijke kamers belichaamt, het stof van vergeten hoeken. Ze verschijnt vaak onverwacht. Achter gordijnen, in de plooien van kleren en tussen boekenruggen. Bijna spookachtig, alsof ze afkomstig is uit een gebied tussen droom en herinnering. En toch is de mot geen louter donker symbool. Wie aandachtig kijkt, ontdekt in haar fragiele vleugels een verborgen pracht. Ze blinkt uit in subtiele patronen, zachte kleuren en een haast fluwelige aanwezigheid. Ze herinnert ons eraan dat schoonheid niet altijd stralend hoeft te zijn. Soms leeft schoonheid juist in het onopvallende, in wat slechts zichtbaar wordt voor wie bereid is langer te kijken.
In de poëzie wordt de mot zo een wezen van paradoxen. Ze zoekt het licht, maar behoort de nacht toe. Ze is broos, maar wordt gedreven door een ontembare drift. Ze verdwijnt gemakkelijk uit het zicht, maar laat een beeld achter dat moeilijk vergeten raakt. Misschien herkennen we ons daarom in haar. Omdat ook de mens voortdurend beweegt tussen verlangen en verlies, tussen de drang om dichterbij te komen en de angst om daaraan ten onder te gaan.
Onwillekeurig roept het vers The Death of the Moth van Virginia Woolf op. In dat korte essay beschrijft Woolf een mot die tegen het raam fladdert in een onbeduidend gevecht met de dood. De mot wordt bij haar een concentratiepunt van kwetsbaar leven: klein, onaanzienlijk, maar tegelijk bezield door een ontembare levenskracht. Waar Woolf kijkt naar de strijd van de mot, kijkt dit vers naar haar stilte. Toch delen beide teksten dezelfde verwondering, namelijk dat in zo’n gering wezen een hele metafysica van aanwezigheid verscholen kan liggen.
De mot – een van de kleinste, meest vergankelijke bewoners van het huis – wordt bij aanvang van het gedicht van Maarten Inghels maatstaf voor een menselijke toestand. Een stilte die niet zomaar afwezigheid van geluid is, maar een vorm van verdwijnen. Niet zoals de vlinder, die zich aan het licht toont, maar als iets dat slechts zichtbaar wordt in een trilling van stof, een vluchtige schaduw in het tanende licht.
Het vers suggereert dat mensen zelden het punt bereiken waarop ze volledig, zonder veel gerucht, opgaan in hun omgeving (‘stiller dan […] worden we haast nooit’). Dat ‘haast’ is cruciaal en laat de deur op een kier. Soms misschien wel – in een slaapkamer bij avondlicht, in een moment van gelaten intimiteit, in ouderdom, na verdriet – worden mensen even zo stil als die mot. Komen zij tot een haast volmaakte bescheidenheid van bestaan. Zijn ze aanwezig zonder zich op te dringen, houden ze zich op in de randzones van het waarneembare.
Er is iets diep ontroerends aan de kwetsbaarheid en vergankelijkheid van dit kleine nachtelijke diertje. Een mot lijkt immers altijd op de rand van verdwijnen te bestaan. Niet zozeer te vliegen als wel op te lossen in de lucht waarin ze beweegt, zoals bij Rilke:
Kleine Motten taumeln schauernd quer aus dem Buchs ;
sie sterben heute Abend und werden nie wissen,
daß es nicht Frühling war.
Haar vlucht is geen glamoureuze onderneming, maar een aarzeling, een tastende beweging naar warmte, naar licht, naar iets wat ze niet begrijpt en dat haar naar het leven staat. De mot is geen symbool van schoonheid, maar van broos bewustzijn. Zij draagt de melancholie van het kleine bestaan. Is niet heroïsch noch uitzonderlijk, maar stil aanwezig aan de rand van onze aandacht. Een leven dat ruimte laat voor vergissing. Opgaat in een werkelijkheid die niet klopt. En juist daarin weerspiegelt ze onze drang om naar licht te bewegen zonder zeker te weten of het werkelijk lente is. De laatste regel van Rilkes gedicht is dan ook verwoestend zacht. De tragedie van motten ligt niet in hun dood, maar in hun misverstand. Ze zijn gelokt door een vals seizoen, een voortijdige zachtheid. Leven dat zich opent op het verkeerde moment.
Het vers van Inghels behoedt zich echter voor drama en legt slechts een schaal van stilte aan. En ergens daarop bevindt zich de mens. Doorgaans luidruchtiger dan hij denkt, zwaarder aanwezig dan hem lief is. Het gedicht reikt meteen ook veel verder dan het openingsbeeld van de mot. Want de stilte waarvan sprake is, blijkt uiteindelijk niet enkel een eigenschap van dat kleine nachtwezen, maar ook van degene die verdwenen is. Het gedicht draagt immers de opdracht ‘Voor H.V.I. (1928–2010)’ en krijgt daardoor het karakter van een zachte elegie. Een poging om iemand aanwezig te houden in de taal, terwijl diens afwezigheid steeds voelbaarder wordt. Dat H.V.I. een ‘eenzame uitvaart’ kreeg – een laatste saluut aan mensen die zonder aanwezigheid van familie of vrienden worden begraven of uitgestrooid – werpt een extra, aangrijpende schaduw over het gedicht. De mot in het gordijn wordt zo meer dan een vergelijking, zij wordt een manier om over voortbestaan na te denken.
Opmerkelijk is bovendien dat het tastbare voorbij de dood niet losgelaten wordt. Er blijven kleine bewegingen mogelijk: een hand die misschien nog een worm aanraakt, een maan die een walsje draait, een zwerfkat die blijft blazen naar het nachtlicht. Alsof de werkelijkheid, ondanks het verdwijnen, nog subtiele tekens van aanwezigheid bewaart. De stilte is in het gedicht van Inghels geen leegte, maar een andere vorm van nabijheid. Juist daarom krijgt het beeld van de mot zijn volle gewicht binnen het geheel van het gedicht. De mot leeft in de plooien van het huis, nauwelijks zichtbaar, maar is toch aanwezig. Evenzo leeft de herinnering voort in de marge van het dagelijkse.
Misschien suggereert Inghels uiteindelijk dat rouw niet bestaat uit het vasthouden van een stem, maar uit het leren luisteren naar wat bijna verdwenen is. Naar het geritsel achter het gordijn, naar een beweging die zich nauwelijks nog laat onderscheiden van stilte. In het licht van De Eenzame Uitvaart (waarvan de dichter de oprichter is) krijgt dat luisteren bovendien een maatschappelijke dimensie. Poëzie wordt hier niet enkel kunst, maar ook een laatste vorm van aandacht. Een weigering om iemand volledig in anonimiteit te laten verdwijnen. De mot wordt dan het beeld van een bestaan dat niet ophoudt door te verdwijnen, maar dat zich juist vanuit zijn broosheid dieper in de wereld nestelt. En daarin schuilt de ontroerende omkering van het gedicht: hoewel niets je nog aanraakt, toch blijft alles nog heel even zachtjes naar je reiken.

X
heb ik je al verteld dat vader
uit een oud en adellijk geslacht van herten komt?
ze hebben een dambord als wapenschild
en een stamboom die teruggaat tot de ijstijd
sinds eonen zit het hoofd met kerst aan het hoofd van de tafel
zijn gewei steekt ver boven ons uit, doopt ons in zijn schaduw
de hindes en reeën van de familie zetten er kaarsen op
tot het vet op de schouders van het hoofd drupt
als zijn gewei vuur vat mag je een wens doen
moeder komt uit een lange wolkentraditie
haar vader is een cirrus, haar moeder een cumulus
het zijn handelsreizigers. ze verkopen stroom en regen
hebben vooral succes met masterclasses van en over vers gebakken lucht
XI
voor vader was het niet makkelijk om moeder te huwen
wolken kijken nu eenmaal op herten neer
ook al was hij dam en adellijk
herten vinden wolken dan weer hautain en oppervlakkig
toch viel moeder als een blok voor vader
ze volgde hem toen hij zijn kudde verliet waarop vader
het vreemd vond dat hij op een zonnige dag in de schaduw liep
toen hij omhoog keek, prikte zijn gewei gaatjes in haar buik
waarop zij zachtjes begon te regenen
XII
moeder schrijft
sinds je vader een peacemaker heeft – ja, zo schrijft ze dat
voelt hij zich weer goed
vanmorgen heeft hij vlak na het ontbijt alle stoelen stuk geslaan
wij zitten nu niet meer om te eten. wij lopen rond de tafel
walking dinner noemt je vader dat
en wat die peacemaker betreft
jammer dat er geen afstandsbediening bij zit
dan zou ik hem dimmen
een beetje minder peace zou welkom zijn
het is de laatste brief die moeder schrijft
(Uit: In de naam van de vader, de moeder en een rondtollende steen, Tania Verhelst)
Ooit gehoord over de romantische leugen? De filosoof Alain de Botton gebruikt deze term om te wijzen op het hardnekkige idee dat geliefden volledig in elkaar kunnen opgaan, dat echte liefde neerkomt op totale versmelting en wederzijdse transparantie. Het is een verleidelijk ideaal, maar ook een misleidend: wie de ander volledig denkt te kennen, ontkent precies datgene wat hem of haar tot ander maakt.
In de drie gedichten die ik als voorpublicatie selecteerde uit de bundel In de naam van de vader, de moeder en een rondtollende steen (Uitgeverij De Zeef) van Tania Verhelst, wordt deze leugen op een erg authentieke manier blootgelegd. De gedichten X, XI en XII vormen samen een licht ironische, gelaagde cyclus over liefde tussen uitgesproken tegenpolen, waarin het spanningsveld niet wordt opgelost, maar op verschillende niveaus actief blijft. De natuurelementen – het aardse hert en de vluchtige wolk – functioneren daarbij niet als starre symbolen van onverenigbaarheid, maar als beweeglijke vormen die elkaar aantrekken, afstoten en tegelijk ruimte laten voor wat niet te begrijpen valt: de ander als vreemde.
In gedicht X wordt vader neergezet als een plechtige, bijna mythische figuur, geworteld in een ‘oud en adellijk geslacht’, met een ‘stamboom die teruggaat tot de ijstijd’. Hij belichaamt traditie en hiërarchie. Zijn gewei, dat letterlijk boven de familie uittorent, fungeert als symbool van macht en continuïteit, maar overschaduwt ook de anderen. Toch zit er van meet af aan een speelse overdrijving in die voorstelling. De licht absurde beeldtaal ondergraaft de monumentaliteit van de scène en het ritueel met Kerst waarbij een wens gedaan mag worden ‘als zijn gewei vuur vat’ balanceert tussen ernst en satire. Moeder daarentegen, afkomstig ‘uit een lange wolkentraditie’, belichaamt het ongrijpbare en veranderlijke. Zij is een reiziger zonder vaste vorm. Haar ouders ‘verkopen stroom en regen’, handelen in ‘vers gebakken lucht’. In deze familie lijkt meerwaarde vervat te zitten in het betekenis geven, de onuitgesproken belofte dat ook de leegte of wat voorbijgaand van aard is tot de verbeelding kan spreken. De liefde tussen beide ouders lijkt in dit gedicht nog een curiosum, een botsing tussen het concrete en het efemere, tussen controle en ontglippen.
Het gedicht speelt niet alleen met het contrast tussen de familiegeschiedenis en fundamenteel andere achtergrond van zowel vader als moeder, maar laat beide tegenpolen meteen ook oplichten in de relativerende glimlach van de lezer. Een mens hoeft zichzelf niet al te serieus te nemen. De dichteres gebruikt ironie op een dusdanig efficiënte manier dat de lezer sympathie krijgt voor de twee emblematische figuren die ze haast op een komische manier opvoert.
Gedicht XI maakt het spanningsveld explicieter door de sociale en existentiële afstand tussen beide werelden te benoemen. De blik op de ander wordt hier expliciet gemaakt. Wolken ‘kijken nu eenmaal op herten neer’, terwijl herten wolken als ‘hautain en oppervlakkig’ beschouwen. De wederzijdse minachting onderstreept hoe onwaarschijnlijk de verbinding is. Toch ‘viel moeder als een blok voor vader’. Dit is een mooie paradox: een wolk die zich gedraagt als iets zwaars en aards. In de daaropvolgende beelden zie je hoe beide ouders elkaar proberen te benaderen, maar elkaar en zichzelf tegelijk onbedoeld beschadigen. Terwijl moeder vader volgde ‘toen hij zijn kudde verliet’, bevreemdde die laatste zich erover ‘dat hij op een zonnige dag in de schaduw liep’. Niet meteen vanzelfsprekend voor iemand van zijn stand. Wanneer hij opkijkt, prikt zijn gewei gaatjes in moeders buik, waarna zij begint te regenen. Het is een teder en pijnlijk moment tegelijk. Zijn poging tot begrip (het omhoog kijken) resulteert in een bijna lieflijke verwonding, haar reactie (regen) is zowel een vorm van loslaten als een onvermijdelijke consequentie van wie zij is.
Het doorvoelen van de ander blijkt niet zo vanzelfsprekend. De natuur van beide ouders dicteert hun handelen. Hij kan niet anders dan handelen vanuit zijn aard, zij niet anders dan reageren vanuit de hare. Wat zichtbaar wordt, is geen mislukking van samensmelting, maar eerder het besef dat die samensmelting zelf een illusie is: de ander blijft onherleidbaar vreemd, zelfs binnen de context van intimiteit. Zijn handelen en haar antwoord illustreren niet zozeer het falen van een poging om volledig tot elkaar door te dringen, maar de vaststelling dat die zich niet weet te voltrekken in een gedeelde vorm. Ze ontmoeten elkaar precies in het feit dat ze zichzelf blijven.
In gedicht XII verschuift de toon naar het alledaagse, zonder dat die fundamentele vreemdheid verdwijnt. De ‘peacemaker’ van vader zorgt allesbehalve voor peis en vree in huis en zelfs het moment van samen tafelen is een moment van onrust geworden, een ‘walking dinner’ zo heet het. Het lijken tekenen van ontregeling, maar ze worden nog steeds met de nodige ironie gebracht. Moeders wens om vader te kunnen ‘dimmen’ via een afstandsbediening klinkt minder als een verlangen om hem te sturen dan als een (wat berustende?) knipoog naar het onvermogen daartoe. Ook hier wordt de illusie van wederzijdse afstemming opgeroepen en tegelijk ondergraven. De ander laat zich niet afstellen; elke poging daartoe zegt evenveel over degene die wil sturen als over degene die zich daaraan onttrekt.
De natuurelementen blijven ondertussen subtiel aanwezig. Vader blijft het dier dat handelt vanuit drift en kracht, moeder de wolk die observeert, beschrijft en uiteindelijk – uitverteld zo lijkt het – verdwijnt in haar laatste brief. Hun liefde heeft zich bewogen van mythische aantrekking via botsing naar een vorm van aanvaarding waarbij men zich geen illusies meer maakt over de ander. Wat de cyclus sterk maakt, is dat de dichter nergens een eenduidig oordeel velt. De lezer blijft balanceren tussen respect voor de intensiteit eigen aan deze liefde en het besef dat die op elk moment haar ondergang als schaduwzijde met zich meedraagt.
De vorm van verbondenheid die hier komt bovendrijven berust niet op versmelting, maar bestaat bij gratie van het ongrijpbare of, wanneer de schaduw oplicht, op het uithouden van verschil. Het hert en de wolk blijven elk hun eigen natuur volgen. Ze raken elkaar soms en missen elkaar soms. Maar juist in dat niet-samenvallen schuilt een bijzondere dynamiek die betrokkenheid levend houdt. Een dynamiek die de relatie kan voeden, maar – wanneer ze omslaat en als afstand wordt ervaren – net zo goed kan ontregelen.

(Op vrijdag 1 mei 2026 om 10.00 u. stelt Tania Verhelst haar nieuwe dichtbundel In de naam van de vader, de moeder en een rondtollende steen voor in de Magdalenakerk van Brugge.)