‘Wat meer kan ik zeggen. Geef mij water, ik ben moe.’
(Uit: Dwaalgasten, Alfred Schaffer).

Iemand op verhaal laten komen is soms waardevoller dan door te vragen naar het verhaal. Zoals hier: erkennen dat het verhaal al is verteld, tot waar mogelijk, en dat nu rust mag primeren boven de drang tot volledig begrijpen of meer te weten te willen komen.
Wie blijft verder vragen, verhardt het vertelde en dwingt het tot herhaling. Laat de ander het verhaal als last in de mond verder dragen. Wie water geeft, bewaart wat gezegd is. Erkent de inspanning die spreken kost. In die gastvrijheid – luisteren zonder alles te willen ontginnen – kan het verhaal bezinken en zichzelf hervinden.
Bovenstaande regel is het openingsvers van het vierde en laatste gedicht uit de cyclus De geleidelijke ondergang van onze gids in vier episodes en staat op zich, maakt geen deel uit van een strofe. Het functioneert op deze manier ook visueel als een scharniermoment binnen de cyclus. Het vers duidt niet op een definitieve uitputting van het verhaal, maar laat een pauze die de mogelijkheid tot verder spreken open houdt. De gids is uitverteld tot waar het lichaam en de taal het toelaten, maar niet in die mate dat er geen betekenis meer te halen valt. De gids – iemand die verwacht wordt te weten, te leiden, te verklaren – legt vermoeid zijn rol van onuitputtelijke betekenismachine naast zich neer.
In een cyclus over ondergang verwacht je escalatie, onthulling, climax. In plaats daarvan krijg je iemand die op zijn grenzen botst en even moet herbronnen. Het vers zegt niet: ik ben klaar. Het vers zegt: ik heb genoeg gegeven. Dat het verhaal in de daaropvolgende strofes toch weer verder gaat en de gids zijn uitleg lijkt te hervatten is cruciaal. Het zwijgen is geen breuk, net zomin als het spreken dat volgt een vanzelfsprekendheid is. Noch voor de verteller, noch voor de luisteraar. En misschien ligt precies daarin ook een vraag verscholen voor de lezer: kunnen wij het verhaal laten rusten, zonder het aan betekenis te laten verliezen?

