luchtmens

online literair tijdschrift


Bij een fragment (1) – Ik ga naar de schapen

“Simone had altijd gedacht dat ze een gedrocht op de wereld zou zetten, maar Tove werd volgens haar geboren als een bovenaards wezen dat raad krijgt van machtige beschermers. 
Op het bijzondere moment dat ze voor het eerst haar longen volzoog en het klepje tussen haar beide hartboezems dichtging, hield de vroedvrouw Tove hoog in de lucht. Daarna liet ze haar met een zachte heen en weer wiegende beweging op Simones borst landen. 
          ‘Ze is een paradijsvogel,’ fluisterde Simone, terwijl Andrej de hemel bedankte met zijn armen gespreid, als waren ze vleugels. 
Simone lachte om haar uitbundige man. Hij was de eerste om aan anderen uit te leggen dat de hemel niet bestond, dat de hemel lucht was, de onmetelijke ruimte die overal op aarde zichtbaar was.

           ‘Je bedankt de lucht,’ zei Simone.

En Andrej huilde.

Net zoals hij twintig jaar later huilde toen Tove uitvloog en een nieuw nest maakte in een woelige stad.”

(Uit: Ik ga naar de schapen, Marieke De Maré, Pelckmans, 2025, p. 25) 

‘Kom, Bette, kom!’ Met die woorden lokte mémé elke zondag, wanneer ik als kind bij mijn grootouders op bezoek ging, de schapen naar zich toe. Het merkwaardige was: alle schapen heetten Bette. Of beter: ze werden zo genoemd op het moment dat ze moesten komen. De roep was minder een naam dan een gebaar, een uitnodiging, een teken van zorg. Eén stem, enkele woorden, en het veld kwam in beweging. Te midden van kippen die vrij buiten scharrelden, varkens die zich loom tegen elkaar aan schuurden en geiten die rustig herkauwden in de schaduw van de stal, lag een wereld besloten waarin taal geen uitleg nodig had. Als kind zag ik hoe weinig woorden volstonden om nabijheid te scheppen, of hoe een eenvoudige roep leven uit de verte kon halen.

Deze tot wasdom gekomen herinnering drong zich aan mij op bij het lezen van Ik ga naar de schapen van Marieke De Maré. In deze verstilde roman wordt er niet alleen ‘weinig tot niets gezegd’ in de schapenstal, maar zoeken de hoofdpersonages ook daarbuiten vooral hun toevlucht tot gedachten, herinneringen en rituele handelingen. Dat volmondige zwijgen zorgt er paradoxaal genoeg voor dat woorden, wanneer ze eindelijk uitgesproken worden, des te zwaarder wegen. Het zijn woorden die binnenkomen en een onderhuids spanningsveld blootleggen. Deze dynamiek is bijzonder tastbaar in het fragment over de geboorte van Tove. Gesproken taal is er schaars, maar betekenis overvloedig aanwezig.

Sommige momenten scheuren het alledaagse open en tonen, heel even, de glans van iets dat groter is dan wijzelf. De geboorte van een kind is zo’n moment: een (doorgaans) heuglijke én ingrijpende overgang waarin verwondering en kwetsbaarheid samenvallen. De geboorte van Tove vormt hierop geen uitzondering: het is geen doordeweekse gebeurtenis, maar een kantelpunt dat het gewone leven openbreekt. Nieuw leven wordt de wereld in geroepen – kwetsbaar, aarzelend, maar tegelijk vol van betekenis.

Al van bij het begin hangt er rond de geboorte een sacrale, geladen sfeer. Simone vreest dat ze ‘een gedrocht’ op de wereld zal zetten, maar het kind dat geboren wordt, verschijnt als een ‘bovenaards wezen dat raad krijgt van machtige beschermers’. In die scherpe tegenstelling tussen de angst voor onvolmaaktheid en het koesteren van een verheven verlangen ligt de existentiële spanning van het ouderschap besloten: huiver en aanbidding als twee uitersten waartussen de verwachting opgespannen wordt. De geboorte zelf wordt concreet en zintuiglijk beschreven (longen die zich vullen met lucht, een hartklepje dat sluit) maar deze fysieke details krijgen een symbolische lading. Het sluiten van het klepje markeert niet alleen een medische overgang, maar ook een existentiële: van binnenwereld naar buitenwereld, van totale afhankelijkheid naar een eerste, broze autonomie. Wat zich als een feestelijk moment openbaart, is tegelijk onomkeerbaar.

Die dubbele beweging (verheffing en aarding) wordt versterkt door de beeldspraak. Het kind verschijnt als een paradijsvogel, symbool van schoonheid, vrijheid en transcendentie. Wanneer Andrej zijn armen spreidt ‘als waren ze vleugels’, wordt het vogelmotief verder uitgewerkt: vader en kind spiegelen elkaar in een gebaar dat bescherming én loslaten suggereert. Twintig jaar later vliegt Tove uit en bouwt ze een nieuw nest in een woelige stad. Het bekende cliché van het uitvliegen wordt hier op een dankbare en frisse manier neergezet. Zo overspant het fragment een hele levensboog: van eerste adem tot zelfstandigheid, van wieg tot wereld. De cirkelstructuur verleent de scène een afgeronde, bijna muzikale compositie.

Opvallend is ook de subtiele ironie die de emotie behoedt voor sentimentaliteit. Andrej dankt de hemel voor de geboorte, hoewel hij altijd beweerde dat die hemel niet bestond. Simone wijst hem liefdevol op deze incongruentie: ‘Je bedankt de lucht.’ De ontmythologisering van de hemel komt tegenover het mythiseren van het kind te staan. Precies in die spanning tussen rationaliteit en verlangen, tussen nuchterheid en mystiek, schuilt de gelaagdheid van het fragment. Het is feest, maar geen naïef feest; het is geluk dat niet gespeend is van twijfel.

De stijl waarin dit alles wordt verteld, is sober en precies. Concrete lichamelijke details worden verweven met verheven metaforen, waardoor een poëtische spanning ontstaat tussen het lichamelijke en het sacrale. Twee gesproken zinnen brengen een wereld van verschil tot symbiose tegen de achtergrond van beschrijvende passages waaraan ze een emotionele intensiteit toekennen zonder die te overdrijven. De geboorte  van Tove is een kantelpunt dat het leven herschikt. Het is een feest van begin en belofte, maar tegelijk een ingrijpende breuk met wat was. In deze ene scène komen liefde, angst, geloof, ironie en loslaten samen, en precies daarin toont zich de poëtische zeggingskracht van De Marés proza. Dat met weinig woorden veel vermag.

Auteur artikel: Edward Hoornaert