To pessimists way out ☞. Deze tekst las ik onlangs op een houten bordje dat aan de muur van een lerarenkamer was bevestigd – half als grap bedoeld, vermoedelijk, half als morele aansporing. Toch bleef het wringen. Achter die ene, radicale zin gaat een eenzijdige visie schuil: pessimisme is een ongewenste gast, een houding die de sfeer drukt, iets dat buiten moet worden gehouden om het geheel gezond en positief te houden. Het gebaar van de wijzende vinger versterkt dat nog. Er wordt niet alleen een mening geuit, maar ook een richting gewezen: daar is de deur.
Maar wat als pessimisme geen humeur is, geen karakterfout, geen gebrek aan levenslust? Wat als het juist een vorm van aandacht is, een weigering om breuken toe te dekken met opgewektheid? Het bordje verraadt een optimisme dat vooral geruststellend wil zijn. Een optimisme dat liever gelooft in maakbaarheid en harmonie dan in scheuren en eindigheid. Het is begrijpelijk, zeker in een schoolomgeving waar toekomst en groei centraal staan. Maar het is ook naïef. Want wie het pessimisme de laan uitstuurt, verliest mogelijk ook ten dele het vermogen om kwetsbaarheid, tekort en mislukking onder ogen te komen.
Precies daar maakt het gedicht In een mens uit de bundel Filigraan van Steven Van Der Heyden zijn opwachting. Niet aan de kant van de cynicus die alles afwijst, maar aan de kant van degene die de barsten niet ontkent.
In een mens
We zijn gekwelde atomen met een ingebouwd einde,
een losse constructie, haarscheuren in ieder van ons.
Elke ochtend stellen we ons samen.
Op straat stulpen onze maskers uit
alsof we opnieuw kieuwen ontwikkelen.
Wij zijn een spiegelpaleis
met semi-doorlaatbare wanden.
Achter de uitgesproken woorden
een oerwoud aan gedachten.
We zoeken asiel in onze verbeelding.
Als gewonde dieren druipen we af
uit een onbeslist gevecht, missen
het instinct om ons niet te snijden.
Het gedicht suggereert dat juist in het erkennen van gebrokenheid een andere vorm van vitaliteit schuilt, een beweging die niet ontstaat ondanks het pessimisme, maar eruit. Het gedicht benadert het mens-zijn als een kwetsbare, telkens opnieuw te construeren toestand.
Van bij het openingsvers (‘We zijn gekwelde atomen met een ingebouwd einde’) plaatst de dichter de mens expliciet in een spanningsveld tussen natuurwet en levensbesef, tussen atomaire eindigheid en menselijk zelfbewustzijn. De mens wordt niet verheven, maar ontmanteld, is ‘een losse constructie’ vol ‘haarscheuren’. Het gedicht vertrekt vanuit een fundamentele breekbaarheid en sluit het aan bij een filosofische traditie waarin de mens niet als maakbaar of heel wordt voorgesteld, maar als tijdelijk, feilbaar en incompleet. Dit besef leidt echter niet tot stilte of nihilisme. Integendeel: ‘elke ochtend stellen we ons samen’. De erkenning van gebrokenheid maakt handelen noodzakelijk, genereert hier een dagelijkse, bijna rituele daad van zelfconstructie.
Een sterke kwaliteit van het gedicht is de consequente metaforiek. Beelden als maskers die uitstulpen, ‘alsof we opnieuw kieuwen ontwikkelen’, zijn tegelijk vervreemdend en herkenbaar. Ze suggereren sociale aanpassing als een bijna evolutionaire noodzaak, maar ook als iets kunstmatigs, benauwends. Het ‘spiegelpaleis / met semi-doorlaatbare wanden’ evoceert op treffende wijze de ambiguïteit van menselijke communicatie: we tonen onszelf, maar nooit volledig. We zien en worden gezien, maar het beeld is steeds vervormd.
Een gelijkaardige ambiguïteit keert terug in de verbeelding, die in het gedicht fungeert als een vorm van asiel. Dat de werkelijkheid ontoereikend is, wordt niet ontkend; juist vanuit dat tekort ontstaat het innerlijke ‘oerwoud aan gedachten’. Verbeelding verschijnt hier dan ook niet als een luxe, maar als een noodzaak die uit een tekort voortkomt. Zonder deze pessimistische diagnose – de wereld is onveilig, de taal schiet tekort, het lichaam faalt – zou dit innerlijke landschap niet bestaan.
In de slotstrofe wordt deze gedachte verder uitgewerkt. Het ontbreken van het instinct om ons niet te snijden klinkt fatalistisch, maar veronderstelt tegelijk bewustzijn. Waar het dier louter instinctief handelt, is de mens veroordeeld tot reflectie, zelfs over zijn eigen beschadiging. ‘Als gewonde dieren druipen we af’ is een expliciet schopenhaueriaans beeld. De mens is niet verheven boven het dier, maar deelt diens lijden, alleen zonder het instinct dat bescherming biedt. Bewustzijn verschijnt hier als een vloek, zelfreflectie vergroot het lijden en maakt de kwetsuur des te voelbaarder.
Dit reflectieve tekort – weten zonder werkelijk te kunnen ingrijpen, ‘een onbeslist gevecht’ met zichzelf – is pijnlijk, maar vormt tegelijk de bron van verwoording en poëzie. Het gedicht zelf belichaamt die generatieve paradox: uit pessimisme ontstaat uitdrukking en zeggingskracht. Door de mens te tonen als een wezen dat faalt, lekt en zichzelf verwondt, opent het gedicht een ruimte voor verbeelding, zelfconstructie en poëtische vorm- en zingeving. Het pessimisme is hier dan ook niet louter destructief, maar productief: het is de barst waaruit het gedicht zelf tevoorschijn komt.

