Eerder dan een beginpunt markeert een debuutbundel vaak het eerste duidelijke spoor van een dichterlijke stem die zichzelf aan het ontdekken is. In die zin neemt De muzeale minnaar (1973, Sonneville) een bijzondere plaats in binnen het vroege werk van Leonard Nolens. Hoewel de bundel formeel niet zijn eerste publicatie was – die eer komt toe aan Orpheushanden – werd De muzeale minnaar lange tijd beschouwd als zijn officiële literaire debuut. De eerste bundel, uitgegeven onder de naam Leon Nolens in 1969, verscheen immers in een zeer kleine oplage en bleef vrijwel onopgemerkt. Het verklaart meteen ook waarom De muzeale minnaar bekroond kon worden met de Debuutprijs op de Antwerpse Boekenbeurs van 1974.
Toch is die erkenning maar één kant van het verhaal. In latere verzameluitgaven van zijn werk besloot Nolens zowel Orpheushanden als De muzeale minnaar weg te laten. Die keuze toont hoe kritisch hij zelf naar zijn vroege werk keek. In de verantwoording van de verzamelbundel Hart tegen hart (1991) omschrijft hij zijn eerste twee bundels als ‘een kluwen dat in latere bundels wordt afgewikkeld’ en als een begin ‘waarin men woorden heeft en nog geen taal’. Die formulering suggereert een dichterschap in wording: de beelden, thema’s en taalbewegingen zijn al aanwezig, maar de definitieve vorm moet nog worden gevonden. De woorden op de achterflap van De muzeale minnaar klinken binnen deze context haast profetisch: ‘Deze woorden zijn een hartklop, een ritme, restanten van een kortstondige komplekse ervaring leven, een experiment niet geëindigd in geluk, wanhoop, inertie enz. …, maar weggeëbd in een nèt niet volmaakte sprakeloosheid, een quasi ongewilde taal. Ongewild en dwingend.’
Dit betekent echter niet dat De muzeale minnaar literair onbelangrijk is. Integendeel: juist in deze bundel worden de thema’s zichtbaar die later het werk van Nolens zullen blijven bepalen. De gedichten bewegen rond vragen van identiteit, verlangen en gemis en het dichterschap zelf. De vrouw (zowel moeder als geliefde) wordt opgevoerd als muze – een figuur die zowel inspiratiebron als aanwezigheid-in-gemis is. Een mooi voorbeeld hiervan is het derde deel van het gedicht Moeder: ‘Liefste moeder, barbarij. / En niemand legt ons terug / in de zachte elleboog van een schoot, / de wiegende wigwam.’ Tegelijk onderzoekt de dichter de verhouding tussen taal en ervaring: kan een gedicht werkelijk uitdrukken wat in een relatie of in een innerlijk conflict wordt beleefd? Deze vragen geven de bundel een sterk reflexief karakter, waarin liefde, taal en zelfonderzoek voortdurend met elkaar verweven raken.
Ook stilistisch draagt de bundel de sporen van een beginfase. De taal is beeldrijk en overdadig, metaforen en intens lyrische formuleringen stapelen zich op. In vergelijking met Nolens’ latere werk – dat bekendstaat om zijn meer directe, bijna spreektaalachtige toon – ogen deze gedichten erg barok waarbij taal bijna als een oncontroleerbare stroom uit de dichter lijkt te komen, alsof de dichter door heftige emoties gedwongen wordt te spreken. Precies daarin ligt echter hun literaire waarde: ze tonen een dichter die zijn instrumentarium aftast en via een erg expressief taalgebruik zijn muze (en de gevoelens en ervaringen die zij oproept) probeert te vatten.
Wanneer men De muzeale minnaar vandaag leest, verschijnt de bundel minder als een afgerond geheel dan als een beginpunt van een ontwikkeling. De gedichten documenteren het ontstaan van een poëtische stem die later een van de meest herkenbare stemmen in de Nederlandstalige poëzie zal worden. Vanuit dat perspectief is het bijzonder interessant om één van de gedichten uit de bundel nader te bekijken. In zo’n close reading wordt zichtbaar hoe Nolens in deze vroege fase al experimenteert met thema’s, beelden en vormen die zijn latere werk zullen blijven kenmerken.
Als maan je beslapen, de wijkende uren.
Als reisduif. Rustig. Met liefde gekorfd.
Begrijp. Wanneer ik je verlaat en nacht,
verlaat ik je niet doch draag je uit onder
de velen die mij maken tot wie jij bemint.
Geen ander heeft zo lief dan wie zijn liefste
voor de wolven gooit, verwachtingsvol de pijn.
(Uit: De muzeale minnaar, Leonard Nolens)
Het geciteerde gedicht draagt duidelijk de sporen van een dichter die zijn centrale thematiek al scherp aanvoelt, maar die haar nog in een sterk symbolische, bijna plechtige taal vormgeeft. In enkele compacte strofen ontvouwt zich een liefdesvisie die tegelijk teder en existentieel geladen is, en waarin afwezigheid geen breuk betekent, maar een paradoxale vorm van voortduren impliceert.
De openingsregel (‘Als maan je beslapen, de wijkende uren’) zet meteen een nachtelijk, bezwerend register in. De maan roept een afstandelijke nabijheid op, ze werpt licht zonder zelf aangeraakt te worden. Het werkwoord ‘beslapen’ suggereert intimiteit, maar krijgt in combinatie met de maan een haast mythische dimensie. De geliefde wordt niet louter bemind. Er wordt gewaakt over haar terwijl de nachtelijke uren voorbijglijden. In het daaropvolgende vers verschuift het beeld naar dat van de reisduif, ‘rustig’ en ‘met liefde gekorfd’. De reisduif roept afstand én terugkeer op, is het symbool van een vertrek dat reeds de belofte van terugkomst in zich draagt. Het ‘ik’ mag dan wel wezenlijk bestemd zijn om uit te vliegen, toch blijft het gericht op de geliefde als thuisbasis, alwaar ‘met liefde gekorfd’. De minnaar krijgt met andere woorden een plaats in het liefdesnest en voelt er zich ook gekoesterd. Tegelijk heeft het woord ‘gekorfd’ een dubbelzinnige bijklank. Het kan immers ook wijzen op begrenzing of insluiting. Het reguleren van bewegingsvrijheid waaraan iemand soms ook liever ontsnapt.
Het hart van het gedicht ligt niet toevallig in de daaropvolgende verzen waarin het ‘ik’ het vertrek ter sprake brengt: ‘Wanneer ik je verlaat en nacht, / verlaat ik je niet doch draag je uit onder / de velen die mij maken tot wie jij bemint.’ Hier formuleert Nolens een gedachte die zijn latere oeuvre zal blijven beheersen: identiteit is geen autonome kern, maar een constructie uit ‘de velen’, een samenspel van stemmen en invloeden. De geliefde bemint niet een geïsoleerd subject, maar iemand waarvan de identiteit samengesteld is. Wanneer de spreker vertrekt, betekent dat geen opheffen van de liefde, hij draagt de geliefde mee binnen zijn meervoudige zelf.
Liefde wordt zo niet voorgesteld als een afgesloten wereld waarbinnen je exclusief met z’n tweeën gedijt, maar als een op handen dragen van ook daarbuiten. De geliefde wordt zo een innerlijke aanwezigheid die het ‘ik’ meeneemt in zijn omgang met de wereld. Maar zij heeft ook baat bij die omgang/bewegingsvrijheid want het is net deze die de geliefde behoedt voor verstarring in een louter private verhouding. De man die zij bemint ontstaat immers niet in afzondering, maar in het voortdurende verkeer met anderen. Zijn identiteit wordt gevormd in het sociale weefsel dat hem omringt en voedt, in de ‘velen’ die hem maken tot wie hij is. Wanneer hij zich dus onder die velen begeeft, verwijdert hij zich niet van haar, maar onderhoudt hij precies de bron waaruit ook haar geliefde gestalte voortkomt. Het uitvliegen van de minnaar betekent daarom geen verarming van de liefde, maar een bevestiging ervan: hij blijft degene van wie zij houdt juist omdat hij zich laat vormen door de wereld waarin hij leeft.
Deze opvatting van liefde veronderstelt echter ook begrip en vertrouwen van de ander. De geliefde moet kunnen aanvaarden dat het ‘ik’ zich niet volledig laat opsluiten binnen de grenzen van de relatie, maar zich blijft bewegen in de ruimte daarbuiten. Dat vertrouwen maakt het mogelijk dat afstand niet als verlies wordt ervaren, maar als een beweging waarbinnen de liefde zelf wordt meegenomen en bevestigd. Het imperatieve ‘Begrijp.’ leest dan ook als een appel aan de ander om deze dynamiek van liefde te erkennen en te aanvaarden. Begrijpen betekent hier vertrouwen hebben in de gedachte dat de geliefde niet buiten de relatie treedt wanneer hij zich onder de ‘velen’ begeeft, maar haar integendeel met zich meedraagt in die veelheid. Zo wordt het bevel niet streng of afstandelijk, maar eerder een kwetsbare vraag om medewerking, om de ruimte te gunnen waarin de liefde zich niet opsluit, maar zich juist kan blijven voeden aan de wereld waaruit het ‘ik’ bestaat.
De bij uitstek romantische slotregels intensiveren dit perspectief door liefde voor te stellen als een riskante daad: ‘Geen ander heeft zo lief dan wie zijn liefste / voor de wolven gooit, verwachtingsvol de pijn.’ De wolven staan voor dreiging, instinct, verscheuring. Ware liefde bestaat hier niet uit veiligheid of harmonie, maar uit het moedwillig blootstellen van wat kostbaar is aan gevaar. Opmerkelijk is de toevoeging ‘verwachtingsvol’. De pijn wordt niet slechts aanvaard, maar bijna tegemoetgezien. Liefde wordt daarmee een keuze voor kwetsbaarheid. In deze gedachte schuilt zowel grandeur als drama, het gedicht balanceert op de rand van het verhevene.
Stilistisch versterkt Nolens deze thematiek door zijn fragmentarische zinsbouw en de nadrukkelijke interpunctie in het begin van het gedicht. Korte, afgebroken zinnen (‘Als reisduif. Rustig.’) creëren een bezwerende cadans, terwijl de enjambementen verderop in het gedicht syntactische spanning oproepen. De taal is compact en geladen, maar ook soms zwaar van pathos. Dat kan verklaren waarom dit vroege werk later niet werd opgenomen in zijn verzamelbundels. In vergelijking met zijn latere, meer uitgepuurde en soms ironische toon overheerst hier nog de verheven symboliek.
Toch openbaart zich hier al onmiskenbaar de dichter die Nolens zou worden. De vragen naar wie het ‘ik’ is in de ogen van de geliefde, hoe liefde en identiteit elkaar vormen en verwonden, en hoe nabijheid kan voortbestaan in afwezigheid, zijn hier reeds volledig aanwezig. Het gedicht toont een jonge dichter die liefde niet beschouwt als geruststelling, maar als een moedige daad tegenover de dreiging van verlies. In die spanning tussen intimiteit en gevaar ligt zijn blijvende kracht. De reisduif die tegelijk vertrekt en terugkeert, de maan die nabij is in afstand, en de geliefde die men voor de wolven werpt,… het zijn beelden die samen een poëtica articuleren waarbinnen liefde niet geruststelt, maar uitdaagt. Een existentiële keuze voor kwetsbaarheid in een wereld waarvan het weefsel makkelijk kan scheuren.
Bron: Leonard Nolens, De muzeale minnaar, Sonneville, 1973
Auteur artikel: Edward Hoornaert

