luchtmens

grond onder de voeten / hoofd dat hemelt


Bij een fragment (2) – Moet dwalen

Ze struikelen over de vele keien en de wirwar van slierten, takken en openliggende boomwortels. Ze soppen in hun schoenen vanwege minigootjes en verborgen plekjes moerasgrond. Nee, dit is geen dolen, dit is ploegen. Met man en macht spant het bos tegen hen samen, dat mag duidelijk zijn. En wie hier niet over dezelfde man en macht beschikt stelt weinig voor. Dan te bedenken dat er bushcrafters bestaan die grif voor zulke beproevingen betalen. Dat horden mensen boeken voor peperdure endurance- of survival-tochten in uitheemse oorden, tot in Afrika toe. Uit vrije wil! Omdat ze van mening zijn dat overleven spannender is dan leven, en zich verheugen op buitenseks en bosvlees. Hedonisme in zijn meest belabberde vorm. Of masochisme, dat kan ook.

Hoewel Isi in gedachten bij zijn allerliefste is, begint hij te smachten naar koolmonoxide, naar een stad vol auto’s, scooters en bussen, waar het nooit donker wordt, waar plaveisel ligt, en liters bier vloeien. Dan maar geen Bel Horizon, dan maar stank en geluidsoverlast, dan maar zwarte longen. Hij kan geen natuur meer zien en smacht naar steen, naar gewapend beton, naar staalslakken, naar het fijnste van alle fijnstoffen tot diep in zijn longen, naar een sprankje beschaving, een zweempje hartelijkheid, een gulle lach. Als hij niet in Haar kan onderduiken dan zal hij zijn heil wel zoeken in cynisme, smerigheid en een bain de foule. Even kans maken op vrijpostigheden zoals een aanraking, wat vriendelijkheid of een aanminnige blik. Shoppen, miskopen doen, feestvieren, dansen, schelden, neuken, tieren, consumeren! Bossen mogen er best zijn met hun stramme houding en hun imponerende loden jassen. Maar een stad is guller en minder zwaar gekleed, en heeft tenminste straten. En aan die straten liggen huizen, en die huizen hebben muren, en die muren hebben deuren. En bij hoge uitzondering gaat zo’n deur nog voor je open ook. En dat er dan iemand op de drempel staat die jou omarmt en zonder argwaan binnenlaat: ‘Entrez, mijn beste. Je hoeft niks uit te leggen, ik zie zo wel wat er in jou omgaat.’ En dat hij dan onthaald wordt op tomatensoep, gerookte ossenworst, een knuffel en een goed glas wijn. Om en nabij de situatie zoals die geschetst wordt in het liedje ‘L’Auvergnat’ van Georges Brassens. Die onverwachte hartelijkheid van een onbekende die zomaar op je pad komt en bereid is om jou te verwarmen zonder tegenprestatie. Gewoon omdat hij je ziet zitten. Gewoon omdat hij jou aardig en aantrekkelijk vindt en de moeite waard. Gewoon dát dus. Maar dit dat komt wel op het belangrijkste van het hele leven neer. Ja, een stad is toch wel een zalig oord waar de zwaarste tobberijen soms zomaar van je afvallen. Niet voor niets wordt er op het platteland verhoudingsgewijs zoveel meer gezelfmoord. Hij mag dan een natuurminnaar zijn, op dit moment voelt hij zich een echte stadsrat.

(Uit: Moet dwalen, Charlotte Mutsaers, Prometheus, 2026, pp. 105-106)

Wie ooit de weg kwijtraakte in een bos, weet dat de natuur niet altijd geruststelt en dat de stad, ondanks al haar rumoer, soms meer geborgenheid biedt dan het omringende groen. Dat de natuur een zuivere bron van rust is en de stad een poel van vervreemding, behoort tot de hardnekkigste clichés van de romantiek. In dit fragment uit Moet dwalen haalt Charlotte Mutsaers dit stereotiepe beeld echter met speelse overtuiging onderuit.

Daarin staat ze overigens niet alleen. De radicale perspectiefverschuiving die zij doorvoert – waarbij niet de stad, maar het bos als beklemmend en vijandig wordt ervaren – sluit aan bij een literaire contra-traditie die zich afzet tegen de romantische idealisering van de natuur. Waar romantische auteurs het landschap opvoerden als een bron van zuiverheid, waarheid en innerlijke harmonie, verschijnt het bij Mutsaers juist als een weerbarstige, ontregelende omgeving.

Het bos is hier geen schilderachtig decor, maar een actieve macht die ‘met man en macht’ lijkt samen te spannen tegen de voortploeterende mens. Keien, modder en blootliggende boomwortels vormen geen pittoreske details, maar obstakels die weerstand bieden aan elke stap vooruit. Verdwalen krijgt daardoor niets idyllisch of romantisch, het mondt uit in fysieke uitputting en een ontwrichtende desoriëntatie.

Die beklemmende ervaring roept onmiddellijk de echo op van een van de beroemdste openingsbeelden uit de wereldliteratuur: ‘Nel mezzo del cammin di nostra vita / mi ritrovai per una selva oscura’ (Divina Commedia, Dante Alighieri). Bij Mutsaers klinkt dit verderop in de roman zo: ‘Op ’t midden van ons levenspad gekomen, / kwam ik bij zinnen in een donker woud’. Net als bij Dante is dit woud niet zomaar een geografische plek, maar een spirituele staat van zijn. Het is de selva oscura waarin de rechte weg verloren is gegaan en de menselijke maat ontbreekt. Deze natuur bezit niets moederlijks of troostends meer. Ze sluit zich als een onverschillige massa van vocht en duisternis om de personages heen. Isi struikelt daardoor niet alleen over tastbare takken, maar vooral over zijn eigen innerlijke ontreddering.

In die verstikkende claustrofobie van het groen doorprikt Mutsaers bovendien de hedendaagse cultus van survival en bushcraft. Ze ontmaskert peperdure endurance-tochten in uitheemse oorden sardonisch als ‘hedonisme in zijn meest belabberde vorm’ of plat masochisme. De natuur kan immers pas een idylle worden als je de luxe hebt om er weer uit te vertrekken. De hippe aanname dat ‘overleven spannender is dan leven’ wordt genadeloos gecounterd door de rauwe realiteit van de uitputting. De mens leeft immers niet van de heroïek van pure autonomie, maar van de kwetsbaarheid van het alledaagse bestaan.

In confrontatie met de harde geslotenheid van de natuur ontstaat er bij protagonist Isi dan ook een verrassend verlangen naar de stad. Dit verlangen wordt bewust gekoppeld aan onaantrekkelijke stedelijke kenmerken. Isi smacht naar koolmonoxide, ronkende bussen, zwarte longen en ‘het fijnste van alle fijnstoffen’. Onder deze ironische, provocerende overdrijving schuilt echter een diepe, ernstige hunkering naar menselijke nabijheid. Waar het bos de mens isoleert, biedt de geconstrueerde wereld van steen en gewapend beton juist een bedding voor de medemens.

Deze stedelijke lofzang lijkt zich te ontvouwen als een ‘architectuur van de ontwapening’. Straten leiden naar huizen, huizen hebben muren, muren hebben deuren, en heel soms gaat er eentje open. Waar muren doorgaans worden geassocieerd met scheiding, creëren ze hier juist bijna een architectonische voorwaarde voor gastvrijheid en ware ontmoeting. Ontmoeten wordt hier het letterlijk opheffen van het moeten, van de dwingende overlevingsstrijd die het bos dicteert. In de natuur moet men standhouden, in de stad mag men simpelweg bestaan.

De beschaving biedt hier wat de natuur weigert, namelijk een warm onthaal zonder tegenprestatie of achterdocht. Mutsaers maakt dit verlangen invoelbaar door het uiterst concreet en alledaags te houden. Geen abstracte humanitaire idealen, maar tastbare tekens van zorg en erkenning: een bord ‘tomatensoep, gerookte ossenworst, een knuffel en een goed glas wijn’. Het is de exacte belichaming van de onverwachte goedheid die Georges Brassens bezingt in zijn chanson L’Auvergnat. Die van de vreemdeling die zomaar een vuur voor je aansteekt en je warmte geeft terwijl ieder ander de deur voor je neus dichtslaat, zonder iets terug te verwachten.

Met de paradoxale slotzin ‘Hij mag dan een natuurminnaar zijn, op dit moment voelt hij zich een echte stadsrat’ sluit de roman aan bij het fundament van de modernistische literatuur. Binnen deze traditie wordt de metropool niet herleid tot louter vervuiling en moreel verval, maar juist gevierd als een dynamisch knooppunt van intensiteit, toevalligheid en existentiële vrijheid. De stad vormt de noodzakelijke tegenpool van de landelijke isolatie.

Isi’s expliciete hunkering naar een bain de foule is meteen een knipoog naar het universum van Charles Baudelaire. In zijn essaybundel Le Peintre de la vie moderne en in zijn prozagedichten van Le Spleen de Paris introduceerde Baudelaire de figuur van de flâneur: de doelloze, hartstochtelijke toeschouwer die zijn thuis kiest in het vluchtige en het mobiele van de massa. Voor Baudelaire was de stad een alchemistische smeltkroes, een plek waar de dichter de grauwheid van het moderne bestaan kon omsmelten tot pure poëzie. De straat en de menigte vormen bij hem geen bedreiging, maar juist de plek waar de moderne mens via toevallige ontmoetingen zijn eigen bestaan spiegelt en deelt.

Ook James Joyce tilde in zijn meesterwerk Ulysses de stad op tot een complete kosmos waarin de totaliteit van het menselijk leven besloten ligt. Ondanks zijn intense haat-liefdeverhouding met zijn geboortegrond, zag hij de metropool als de ultieme, pulserende inspiratiebron. Dublin bood hem de anonimiteit en kosmopolitische vrijheid die de verstikkende afzondering hem ontzegde. Zelfs bij een auteur zoals Franz Kafka, die de stad schetst als een ondoordringbaar, bureaucratisch labyrint, blijft het ook daar de enige plek waar de menselijke complexiteit überhaupt zichtbaar en voelbaar wordt. De echte leegte en vervreemding liggen immers buiten de beschaving, in de kille stilte van het onmenselijke landschap.

Mutsaers’ fragment herinnert ons via deze vertrouwde literaire tradities aan een even kil als reëel gegeven, namelijk dat er op het platteland verhoudingsgewijs zoveel meer ‘gezelfmoord’ wordt omdat de natuur er onverschillig zwijgt. De mens is ten diepste geen wezen dat opgaat in het bos, maar een kwetsbaar wezen dat leeft van blikken, stemmen en aanrakingen. De stad, met al haar stank, rumoer en kunstmatigheid, is in Moet dwalen niet de plaats van de vervreemding, maar juist de plek waar het leven (in al zijn complexiteit én nabijheid) weer echt mogelijk wordt.

(2025, Uitgeverij Prometheus)