luchtmens

grond onder de voeten / hoofd dat hemelt


Bij een vers (2)

‘Stiller dan de mot in het gordijn worden we haast nooit’

(Uit: Waakzaam, Maarten Inghels)

De mot is wellicht één van de meest intrigerende dieren in de poëzie. En niet in het minst omwille van de ambigue symboliek die ze met zich mee draagt. Ze beweegt zich in een schemergebied tussen aantrekking en ondergang, tussen kwetsbaarheid en koppigheid, tussen schoonheid en verval. Waar de vlinder zich moeiteloos laat bewonderen in het volle daglicht, leeft de mot in de marge van de nacht – minder zichtbaar, minder geliefd, maar des te mysterieuzer.

Misschien is het precies daarom dat dichters steeds opnieuw naar haar terugkeren. De mot belichaamt een verlangen dat zichzelf niet helemaal begrijpt. Ze cirkelt om het licht alsof daarin een waarheid verscholen ligt die groter is dan haar eigen bestaan. Maar hetzelfde licht dat haar lokt, kan haar ook vernietigen. In dat roekeloze naderen schuilt iets diep menselijks, namelijk de neiging om ons over te geven aan wat ons tegelijk aantrekt en verwondt.

De vlinder krijgt kleur, ondergaat een metamorfose en oogst bewondering terwijl de mot de stilte van nachtelijke kamers belichaamt, het stof van vergeten hoeken. Ze verschijnt vaak onverwacht. Achter gordijnen, in de plooien van kleren en tussen boekenruggen. Bijna spookachtig, alsof ze afkomstig is uit een gebied tussen droom en herinnering. En toch is de mot geen louter donker symbool. Wie aandachtig kijkt, ontdekt in haar fragiele vleugels een verborgen pracht. Ze blinkt uit in subtiele patronen, zachte kleuren en een haast fluwelige aanwezigheid. Ze herinnert ons eraan dat schoonheid niet altijd stralend hoeft te zijn. Soms leeft schoonheid juist in het onopvallende, in wat slechts zichtbaar wordt voor wie bereid is langer te kijken.

In de poëzie wordt de mot zo een wezen van paradoxen. Ze zoekt het licht, maar behoort de nacht toe. Ze is broos, maar wordt gedreven door een ontembare drift. Ze verdwijnt gemakkelijk uit het zicht, maar laat een beeld achter dat moeilijk vergeten raakt. Misschien herkennen we ons daarom in haar. Omdat ook de mens voortdurend beweegt tussen verlangen en verlies, tussen de drang om dichterbij te komen en de angst om daaraan ten onder te gaan.

Onwillekeurig roept het vers The Death of the Moth van Virginia Woolf op. In dat korte essay beschrijft Woolf een mot die tegen het raam fladdert in een onbeduidend gevecht met de dood. De mot wordt bij haar een concentratiepunt van kwetsbaar leven: klein, onaanzienlijk, maar tegelijk bezield door een ontembare levenskracht. Waar Woolf kijkt naar de strijd van de mot, kijkt dit vers naar haar stilte. Toch delen beide teksten dezelfde verwondering, namelijk dat in zo’n gering wezen een hele metafysica van aanwezigheid verscholen kan liggen.

De mot – een van de kleinste, meest vergankelijke bewoners van het huis – wordt bij aanvang van het gedicht van Maarten Inghels maatstaf voor een menselijke toestand. Een stilte die niet zomaar afwezigheid van geluid is, maar een vorm van verdwijnen. Niet zoals de vlinder, die zich aan het licht toont, maar als iets dat slechts zichtbaar wordt in een trilling van stof, een vluchtige schaduw in het tanende licht.

Het vers suggereert dat mensen zelden het punt bereiken waarop ze volledig, zonder veel gerucht, opgaan in hun omgeving (‘stiller dan […] worden we haast nooit’). Dat ‘haast’ is cruciaal en laat de deur op een kier. Soms misschien wel – in een slaapkamer bij avondlicht, in een moment van gelaten intimiteit, in ouderdom, na verdriet – worden mensen even zo stil als die mot. Komen zij tot een haast volmaakte bescheidenheid van bestaan. Zijn ze aanwezig zonder zich op te dringen, houden ze zich op in de randzones van het waarneembare.

Er is iets diep ontroerends aan de kwetsbaarheid en vergankelijkheid van dit kleine nachtelijke diertje. Een mot lijkt immers altijd op de rand van verdwijnen te bestaan. Niet zozeer te vliegen als wel op te lossen in de lucht waarin ze beweegt, zoals bij Rilke:

Kleine Motten taumeln schauernd quer aus dem Buchs ;
sie sterben heute Abend und werden nie wissen,
daß es nicht Frühling war.

Haar vlucht is geen glamoureuze onderneming, maar een aarzeling, een tastende beweging naar warmte, naar licht, naar iets wat ze niet begrijpt en dat haar naar het leven staat. De mot is geen symbool van schoonheid, maar van broos bewustzijn. Zij draagt de melancholie van het kleine bestaan. Is niet heroïsch noch uitzonderlijk, maar stil aanwezig aan de rand van onze aandacht. Een leven dat ruimte laat voor vergissing. Opgaat in een werkelijkheid die niet klopt. En juist daarin weerspiegelt ze onze drang om naar licht te bewegen zonder zeker te weten of het werkelijk lente is. De laatste regel van Rilkes gedicht is dan ook verwoestend zacht. De tragedie van motten ligt niet in hun dood, maar in hun misverstand. Ze zijn gelokt door een vals seizoen, een voortijdige zachtheid. Leven dat zich opent op het verkeerde moment.

Het vers van Inghels behoedt zich echter voor drama en legt slechts een schaal van stilte aan. En ergens daarop bevindt zich de mens. Doorgaans luidruchtiger dan hij denkt, zwaarder aanwezig dan hem lief is. Het gedicht reikt meteen ook veel verder dan het openingsbeeld van de mot. Want de stilte waarvan sprake is, blijkt uiteindelijk niet enkel een eigenschap van dat kleine nachtwezen, maar ook van degene die verdwenen is. Het gedicht draagt immers de opdracht ‘Voor H.V.I. (1928–2010)’ en krijgt daardoor het karakter van een zachte elegie. Een poging om iemand aanwezig te houden in de taal, terwijl diens afwezigheid steeds voelbaarder wordt. Dat H.V.I. een ‘eenzame uitvaart’ kreeg – een laatste saluut aan mensen die zonder aanwezigheid van familie of vrienden worden begraven of uitgestrooid – werpt een extra, aangrijpende schaduw over het gedicht. De mot in het gordijn wordt zo meer dan een vergelijking, zij wordt een manier om over voortbestaan na te denken.

Opmerkelijk is bovendien dat het tastbare voorbij de dood niet losgelaten wordt. Er blijven kleine bewegingen mogelijk: een hand die misschien nog een worm aanraakt, een maan die een walsje draait, een zwerfkat die blijft blazen naar het nachtlicht. Alsof de werkelijkheid, ondanks het verdwijnen, nog subtiele tekens van aanwezigheid bewaart. De stilte is in het gedicht van Inghels geen leegte, maar een andere vorm van nabijheid. Juist daarom krijgt het beeld van de mot zijn volle gewicht binnen het geheel van het gedicht. De mot leeft in de plooien van het huis, nauwelijks zichtbaar, maar is toch aanwezig. Evenzo leeft de herinnering voort in de marge van het dagelijkse.

Misschien suggereert Inghels uiteindelijk dat rouw niet bestaat uit het vasthouden van een stem, maar uit het leren luisteren naar wat bijna verdwenen is. Naar het geritsel achter het gordijn, naar een beweging die zich nauwelijks nog laat onderscheiden van stilte. In het licht van De Eenzame Uitvaart (waarvan de dichter de oprichter is) krijgt dat luisteren bovendien een maatschappelijke dimensie. Poëzie wordt hier niet enkel kunst, maar ook een laatste vorm van aandacht. Een weigering om iemand volledig in anonimiteit te laten verdwijnen. De mot wordt dan het beeld van een bestaan dat niet ophoudt door te verdwijnen, maar dat zich juist vanuit zijn broosheid dieper in de wereld nestelt. En daarin schuilt de ontroerende omkering van het gedicht: hoewel niets je nog aanraakt, toch blijft alles nog heel even zachtjes naar je reiken.