luchtmens

online literair tijdschrift


Bij een fragment (3) – De gelijktijdigheid der dingen

“De paar vierkante meter die de verdrevenen tot hun beschikking hebben, afgebakend door dekens en doeken, wordt een thuis. In de beslotenheid van hun dekenland, zoals ze het noemen, in de beslotenheid van haar hoofd binnen het dekenland, in de beslotenheid van haar gedachten binnen haar hoofd binnen het dekenland ligt een gedicht van Rilke ingesponnen in zijn cocon.

Wir alle fallen. Diese Hand da fällt.
Und sieh dir andre an: es ist in allen.
Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen
unendlich sanft in seinen Händen hält.”

(Uit: De gelijktijdigheid der dingen, Frouke Arns, Arbeiderspers, 2021, p. 129) 

In dit fragment uit De gelijktijdigheid der dingen van Frouke Arns wordt een wereld getekend waarin bijna alles wat zekerheid geeft, is weggevallen. De verdrevenen beschikken slechts over enkele vierkante meters, maar die kleine ruimte wordt een thuis. Vanuit die fysieke ruimte trekt de tekst zich steeds verder naar binnen. Van het dekenland naar het hoofd en uiteindelijk naar de gedachten. Daar bevindt zich een gedicht van Rainer Maria Rilke. De beweging naar binnen maakt duidelijk dat, wanneer een werkelijk thuis verloren is gegaan, ook herinnering en taal een vorm van beschutting kunnen worden.

De opeenvolgende verkleiningen zijn opvallend. Eerst is er het dekenland, een concrete ruimte die met dekens en doeken wordt afgebakend. Vervolgens bevindt dat dekenland zich in het hoofd van Käthe, en binnen haar hoofd bevindt zich weer de ruimte van haar gedachten. De buitenwereld wordt zo steeds kleiner en onzekerder, terwijl de innerlijke ruimte juist betekenis krijgt. Alles wat iemand materieel bezit (een huis, een land, bezittingen, een vertrouwde omgeving,…) kan worden afgenomen, maar een gedicht dat in het geheugen aanwezig is, bevindt zich op een andere plaats. Het kan worden meegedragen.

Dat verklaart ook het beeld van de cocon. Een cocon is een kleine, beschermende ruimte waarin iets kwetsbaars zich terugtrekt. Het gedicht van Rilke bevindt zich als het ware in zo’n innerlijke cocon. Afgescheiden van de harde werkelijkheid, maar er niet van losgemaakt. Juist vanuit die beschutte ruimte kan de werkelijkheid opnieuw worden bekeken. De tekst beweegt daarmee niet alleen van buiten naar binnen, hij onderzoekt ook hoe binnen die innerlijke ruimte opnieuw betekenis en bescherming kunnen ontstaan.

Het gedicht dat Arns citeert is Rilkes ‘Herbst’uit Das Buch der Bilder. De geciteerde regels vormen het slot van het gedicht. Rilke begint bij iets concreets en zichtbaars: vallende bladeren. Het beeld van het vallen wordt vervolgens steeds groter. Niet alleen de bladeren vallen; ook de aarde lijkt in de nacht uit de sterren in de eenzaamheid te vallen. Vervolgens zoomt Rilke plotseling in op het menselijke lichaam:

Wir alle fallen. Diese Hand da fällt.

Met het woord wir wordt het vallen universeel. Niemand staat buiten die ervaring. Maar onmiddellijk daarna volgt de aanduiding van één hand. Daardoor wordt het abstracte beeld lichamelijk en tastbaar. Het gaat niet langer alleen om bladeren, aarde en kosmos, maar om een menselijk lichaam dat, net als alles om hem heen, aan het vallen onderworpen is.

De laatste twee regels brengen vervolgens een tegenbeeld binnen:

Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen
unendlich sanft in seinen Händen hält.

Het vallen wordt niet ontkend. Rilke zegt niet dat er een wereld bestaat waarin mensen niet vallen. Er verschijnt alleen iemand die het vallen unendlich sanft in zijn handen houdt. Juist het woord sanft is belangrijk. Het gaat niet om beheersen of tegenhouden, maar om een zachte vorm van zorg voor iets wat kwetsbaar is. Tegenover de onvermijdelijkheid van het vallen staat dus niet de zekerheid dat men niet zal vallen, maar de mogelijkheid dat men wordt opgevangen.

Daarmee krijgt het gedicht in de context van Arns’ roman een bijzondere betekenis. De personages zijn mensen die letterlijk en figuurlijk zijn gevallen. Ze zijn verdreven uit hun land, beroofd van een thuis en geconfronteerd met verlies en onzekerheid. Rilkes beeld geeft aan die toestand tegelijk een universele dimensie. Het vallen is niet alleen hun individuele lot, het behoort tot de menselijke kwetsbaarheid. Maar tegenover dat vallen staat de mogelijkheid van opvang.

Het beeld van de hand krijgt nog meer betekenis wanneer Rilkes verhouding tot Auguste Rodin erbij wordt betrokken. Rilke werkte in 1905 en 1906 als secretaris van Rodin. Begin augustus, toen ik na lange tijd opnieuw het Musée Rodin in Parijs bezocht, vielen mij de handen in Rodins werk opnieuw op. Vooral La Cathédrale is in dit verband veelzeggend. Het beeld bestaat uit twee rechterhanden die, afkomstig van verschillende lichamen, naar elkaar toe bewegen en samen een open, gewelfde ruimte vormen. De handen zijn afzonderlijk herkenbaar, maar door hun ontmoeting ontstaat iets dat groter is dan beide, namelijk een ruimte die tegelijk lichamelijk en beschuttend is. De titel La Cathédrale maakt van die ruimte bovendien iets religieus-architectonisch. Twee handen worden samen een soort bouwwerk waarin het lichamelijke en sacrale met elkaar verbonden worden.

Daarin ligt een interessante overeenkomst met het dekenland van Arns. Ook daar ontstaat uit eenvoudige elementen een ruimte die er eerst niet was. De dekens en doeken vormen geen stenen muren en sluiten de buitenwereld niet volledig af. Ze markeren slechts een grens, een omtrek waarbinnen een kleine leefruimte ontstaat. Toch wordt die ruimte een thuis. Zoals Rodins handen door hun houding een ruimte tussen en rondom zich laten ontstaan, zo maken de doeken rond de verdrevenen een ruimte waarin zij tijdelijk kunnen wonen.

Het gaat in beide gevallen dus niet alleen om de handen of de dekens zelf, maar om wat hun omringende vorm mogelijk maakt: een ruimte waarin iets kwetsbaars kan bestaan. Bij Rodin vormen twee handen een ruimte, bij Rilke vormen handen een gebaar van opvang en bij Arns vormen dekens en doeken een tijdelijk thuis. De ruimte is klein, maar haar betekenis is groot.

Vanuit die innerlijke ruimte beweegt de tekst ook verder. Na het gedicht keert Arns terug naar de concrete werkelijkheid van de barak. De kou wordt voelbaar, de sneeuw dringt naar binnen en de schamele beschutting blijkt nauwelijks voldoende:

“De herfst is koud, nat en tochtig. Vroege sneeuw vlokt door de kieren van het dak op de dekens en de schamele bezittingen van de barakbewoners. Vorst houdt het leven in een ijzige greep. ’s Avonds trekt Käthe haar meisjes dicht tegen zich aan en vertelt alle sprookjes en verhalen die ze kent. Ze draagt uit haar hoofd gedichten voor, van Rilke, Goethe, Schiller, Hölderlin. Verzint verhalen die zich in tropische oorden afspelen. De kinderen luisteren rillend en klappertandend naar de avonturen onder de brandende zon. Als ze geen verhalen meer heeft, begint ze sprookjes te combineren, Raponsje die duizend jaar slaapt in haar toren, tot ze wakker wordt gekust door Hans, de broer van Grietje. Sneeuwwitje die wordt opgegeten door de boze wolf, maar daar met behulp van Klein Duimpje weer uit komt, Assepoester en Doornroosje die zeven geitjes moeten zoeken in een ver, warm land.”

De overgang is veelzeggend. De tekst keert eerst terug naar de fysieke werkelijkheid, maar precies daar begint Käthe te vertellen. De innerlijke ruimte van het gedicht wordt dus gevolgd door een nieuwe verbeeldingsruimte, namelijk die van het verhaal. Waar het eerste deel van het fragment zich steeds verder naar binnen beweegt, opent het tweede deel vanuit de harde werkelijkheid juist weer een andere wereld.

De tegenstelling is bijna tastbaar. Hun lichamen bevinden zich in de kou, maar hun verbeelding wordt naar een warme wereld gevoerd. De verhalen veranderen de barak niet. De sneeuw blijft vallen en de kinderen blijven rillen. Toch is de barak niet langer de enige werkelijkheid die voor hen bestaat. De verhalen creëren een tweede ruimte naast de eerste.

Dat is een belangrijk verschil met een eenvoudige vlucht uit de werkelijkheid. Käthe ontkent de werkelijkheid niet. Ze kan de kou niet laten verdwijnen en de verdrijving niet ongedaan maken. Wat ze wel kan doen, is binnen die werkelijkheid een andere ruimte openen. Het verhaal wordt daarmee een vorm van bescherming. Niet lichamelijk, zoals de dekens, maar mentaal en verbeeldend.

Opvallend is bovendien dat Käthe eerst put uit een bestaand cultureel geheugen. Ze draagt gedichten voor van Rilke, Goethe, Schiller en Hölderlin. Wat zij ooit heeft gelezen en onthouden, is niet verdwenen met haar huis of haar bezittingen. De gedichten zijn als het ware meegenomen in haar geheugen. Wat materieel niet kon worden meegenomen, kan in taal toch blijven voortbestaan.

Wanneer haar verhalen opraken, gaat Käthe nog een stap verder. Ze begint sprookjes te combineren. Raponsje slaapt duizend jaar in haar toren en wordt wakker gekust door Hans, de broer van Grietje. Sneeuwwitje wordt opgegeten door de boze wolf, maar komt daar met behulp van Klein Duimpje weer uit. Assepoester en Doornroosje moeten samen met de zeven geitjes een ver, warm land zoeken.

Deze combinaties zijn meer dan een speelse improvisatie. Käthe haalt de bestaande verhalen uit elkaar en stelt ze opnieuw samen. Ze verandert daarmee de regels van de sprookjeswereld. Personages die in hun oorspronkelijke verhaal niets met elkaar te maken hebben kunnen elkaar ontmoeten, een gevaarlijke gebeurtenis kan alsnog worden hersteld en een personage dat verloren lijkt, kan door een ander worden gered. De verbeelding creëert mogelijkheden die in de werkelijkheid niet bestaan.

Juist daarin krijgt het vertellen een bijna herstellende functie. De werkelijkheid van de personages wordt bepaald door verlies, verdrijving en machteloosheid. In de verhalen van Käthe kan zij die verhoudingen tijdelijk herschrijven. Waar de werkelijkheid hen iets afneemt, kan het verhaal iets toevoegen. Waar de werkelijkheid grenzen oplegt, kan de verbeelding die grenzen overschrijden.

Het verre, warme land is daarbij geen toevallig sprookjesdecor. Het vormt het directe tegenbeeld van de barak. De kinderen zitten in een wereld waarin sneeuw door het dak valt, maar in Käthes verhalen is er een brandende zon. Hun lichamen ervaren kou, terwijl hun verbeelding zich vult met warmte. Het verhaal biedt zo geen ontsnapping die de werkelijkheid vernietigt, maar een tijdelijke ruimte waarin een andere werkelijkheid voorstelbaar wordt.

Hiermee komt ook Scheherazade uit Duizend-en-een-nacht in beeld. Er bestaat een duidelijke verwantschap tussen Scheherazade en Käthe. Beiden vertellen verhalen in omstandigheden waarin het leven bedreigd wordt. Bij Scheherazade is het verband letterlijk. Zolang haar verhaal voortduurt, wordt haar dood uitgesteld. Het vertellen is daar rechtstreeks verbonden met lichamelijk overleven.

Bij Käthe is de situatie anders. Zij vertelt niet om haar eigen dood uit te stellen. Toch heeft haar vertellen eveneens te maken met het voortzetten van het leven. Zolang er een verhaal is, bestaat er een volgende scène, een volgende mogelijkheid, een andere wereld. Waar Scheherazade met verhalen letterlijk tijd wint, maakt Käthe met verhalen de leefbare ruimte groter. Zij geeft de kinderen, midden in de kou, toegang tot een wereld waarin warmte, avontuur en redding bestaan.

Decorontwerp voor Scheherazade van Léon Bakst

In veel situaties van oorlog, vervolging, gevangenschap en gedwongen verplaatsing hebben mensen geprobeerd iets van hun innerlijke wereld te bewaren door verhalen, muziek, gedichten, herinneringen en rituelen. Daarmee konden ze de fysieke omstandigheden niet veranderen, maar wel een gevoel van identiteit, verbondenheid en menselijke waardigheid in stand houden. Ook in concentratiekampen tijdens de Tweede Wereldoorlog probeerden gevangenen, waar dat mogelijk was, via bijvoorbeeld poëzie, muziek, herinneringen en onderlinge verhalen iets van die menselijke ruimte te behouden.

De kampen vormen daarin geen unieke uitzondering, maar een bijzonder extreme illustratie van een breder menselijk verschijnsel: wanneer de uiterlijke wereld iemand vrijwel alles ontneemt, kan taal en verbeelding een manier worden om een innerlijke ruimte te bewaren. Dat is ook wat bij Käthe gebeurt. Haar verhalen veranderen de kou of haar situatie niet, maar ze zorgen ervoor dat de kinderen tijdelijk toegang krijgen tot een andere wereld en elkaar als mensen kunnen blijven ontmoeten.

Dat Käthe vervolgens bestaande verhalen begint te combineren, maakt haar bovendien niet alleen tot verteller, maar ook tot schepper. Wanneer de verhalen opraken, accepteert ze niet dat de verbeelding daarmee eindigt. Ze schept verder. Juist daar wordt haar verbeelding een vorm van vrijheid. Niet de vrijheid om de werkelijkheid te verlaten, maar de vrijheid om haar tijdelijk anders te ordenen.

Dat procédé heeft een duidelijke parallel met de manier waarop Arns haar roman opbouwt. Wat Käthe op kleine schaal met sprookjes doet, doet Arns op grotere schaal met verhalen, tijden en levens. Zij brengt elementen samen die oorspronkelijk van elkaar gescheiden zijn en laat ze betekenis krijgen door hun onderlinge verbanden.

Käthe combineert personages en verhaallijnen, Arns combineert verschillende levensgeschiedenissen en historische momenten. Beiden smeden uit afzonderlijke fragmenten een nieuw geheel. Het verschil is natuurlijk dat Käthe dit doet binnen de fictieve wereld van de sprookjes, terwijl Arns dit als romanschrijfster doet. Maar het onderliggende principe is verwant. Door nieuwe verbindingen te maken, ontstaat een ruimte waarin het afzonderlijke betekenis krijgt.

Daarmee sluit deze passage ook aan bij de titel De gelijktijdigheid der dingen. Verschillende tijden en levens staan niet volledig los van elkaar. Een oud vluchtverhaal kan doorwerken in een latere ervaring van ontheemding, een herinnering uit het verleden kan aanwezig blijven in het heden en ook een gedicht uit een andere tijd kan betekenis krijgen in een barak waar mensen proberen te overleven. De roman brengt zulke afzonderlijke werkelijkheden niet alleen na elkaar, maar laat ze in elkaar doorwerken.

Ook het begrip thuis krijgt daardoor een bredere betekenis. Voor iemand die verdreven is, hoeft thuiskomen niet noodzakelijk te betekenen dat hij terugkeert naar de plaats waar hij vandaan kwam. Die plaats kan verloren, verwoest of onbereikbaar zijn. Een thuis kan ook tijdelijk ontstaan in een kleine ruimte, in het geheugen, in de stem van iemand die een verhaal vertelt of in een gedicht dat iemand uit het hoofd kent.

De verschillende beelden uit het fragment kunnen zo als variaties op één motief worden gelezen. De dekens omgrenzen een fysieke ruimte. De handen van Rilke en Rodin suggereren een ruimte van opvang. Het gedicht bewaart een innerlijke ruimte. Käthes verhalen openen een verbeeldingsruimte. In al deze gevallen ontstaat beschutting doordat iets wordt omgeven, vastgehouden of verbeeld.

De beweging van het fragment is daarom uiteindelijk geen eenvoudige beweging van buiten naar binnen. De tekst beweegt heen en weer tussen werkelijkheid en verbeelding. Eerst trekt hij zich terug van de koude buitenwereld naar het dekenland en vervolgens naar Käthes innerlijke wereld. Daarna keert hij terug naar de barak, waar de verhalen opnieuw een andere ruimte openen. Het gedicht en het sprookje functioneren daarbij als tijdelijke doorgangen. Ze veranderen de werkelijkheid niet, maar maken haar groter dan wat onmiddellijk zichtbaar is.

Dat werpt ook een ander licht op de rol van taal. Taal is hier niet alleen een middel om de werkelijkheid te beschrijven. Ze is ook een manier om iets te bewaren en iets nieuws te maken. Rilkes gedicht kan in het geheugen worden meegenomen wanneer een huis niet kan worden meegenomen. Käthe kan verhalen blijven vertellen wanneer haar materiële bezit vrijwel verdwenen is. En Arns kan verschillende levens en tijden in één roman samenbrengen.

Zo komen de verschillende vormen van beschutting samen. Het dekenland biedt een lichaam een plaats om te verblijven. Het gedicht biedt het geheugen een plaats om iets te bewaren. De hand biedt het vallende een plaats om opgevangen te worden. Het verhaal biedt de verbeelding een plaats om verder te gaan.

De mens valt, zegt Rilke. Maar het laatste woord is niet aan het vallen. Er is een hand die opvangt. En wanneer de fysieke wereld geen thuis meer biedt, kan taal een andere ruimte openen. In het gedicht, in het sprookje en in de roman ontstaat zo een vorm van thuiskomen die niet gebonden is aan één plaats. Een thuis in wat wordt herinnerd, verteld en verbeeld.

Auteur artikel: Edward Hoornaert