X
heb ik je al verteld dat vader
uit een oud en adellijk geslacht van herten komt?
ze hebben een dambord als wapenschild
en een stamboom die teruggaat tot de ijstijd
sinds eonen zit het hoofd met kerst aan het hoofd van de tafel
zijn gewei steekt ver boven ons uit, doopt ons in zijn schaduw
de hindes en reeën van de familie zetten er kaarsen op
tot het vet op de schouders van het hoofd drupt
als zijn gewei vuur vat mag je een wens doen
moeder komt uit een lange wolkentraditie
haar vader is een cirrus, haar moeder een cumulus
het zijn handelsreizigers. ze verkopen stroom en regen
hebben vooral succes met masterclasses van en over vers gebakken lucht
XI
voor vader was het niet makkelijk om moeder te huwen
wolken kijken nu eenmaal op herten neer
ook al was hij dam en adellijk
herten vinden wolken dan weer hautain en oppervlakkig
toch viel moeder als een blok voor vader
ze volgde hem toen hij zijn kudde verliet waarop vader
het vreemd vond dat hij op een zonnige dag in de schaduw liep
toen hij omhoog keek, prikte zijn gewei gaatjes in haar buik
waarop zij zachtjes begon te regenen
XII
moeder schrijft
sinds je vader een peacemaker heeft – ja, zo schrijft ze dat
voelt hij zich weer goed
vanmorgen heeft hij vlak na het ontbijt alle stoelen stuk geslaan
wij zitten nu niet meer om te eten. wij lopen rond de tafel
walking dinner noemt je vader dat
en wat die peacemaker betreft
jammer dat er geen afstandsbediening bij zit
dan zou ik hem dimmen
een beetje minder peace zou welkom zijn
het is de laatste brief die moeder schrijft
(Uit: In de naam van de vader, de moeder en een rondtollende steen, Tania Verhelst)
Ooit gehoord over de romantische leugen? De filosoof Alain de Botton gebruikt deze term om te wijzen op het hardnekkige idee dat geliefden volledig in elkaar kunnen opgaan, dat echte liefde neerkomt op totale versmelting en wederzijdse transparantie. Het is een verleidelijk ideaal, maar ook een misleidend: wie de ander volledig denkt te kennen, ontkent precies datgene wat hem of haar tot ander maakt.
In de drie gedichten die ik als voorpublicatie selecteerde uit de bundel In de naam van de vader, de moeder en een rondtollende steen (Uitgeverij De Zeef) van Tania Verhelst, wordt deze leugen op een erg authentieke manier blootgelegd. De gedichten X, XI en XII vormen samen een licht ironische, gelaagde cyclus over liefde tussen uitgesproken tegenpolen, waarin het spanningsveld niet wordt opgelost, maar op verschillende niveaus actief blijft. De natuurelementen – het aardse hert en de vluchtige wolk – functioneren daarbij niet als starre symbolen van onverenigbaarheid, maar als beweeglijke vormen die elkaar aantrekken, afstoten en tegelijk ruimte laten voor wat niet te begrijpen valt: de ander als vreemde.
In gedicht X wordt vader neergezet als een plechtige, bijna mythische figuur, geworteld in een ‘oud en adellijk geslacht’, met een ‘stamboom die teruggaat tot de ijstijd’. Hij belichaamt traditie en hiërarchie. Zijn gewei, dat letterlijk boven de familie uittorent, fungeert als symbool van macht en continuïteit, maar overschaduwt ook de anderen. Toch zit er van meet af aan een speelse overdrijving in die voorstelling. De licht absurde beeldtaal ondergraaft de monumentaliteit van de scène en het ritueel met Kerst waarbij een wens gedaan mag worden ‘als zijn gewei vuur vat’ balanceert tussen ernst en satire. Moeder daarentegen, afkomstig ‘uit een lange wolkentraditie’, belichaamt het ongrijpbare en veranderlijke. Zij is een reiziger zonder vaste vorm. Haar ouders ‘verkopen stroom en regen’, handelen in ‘vers gebakken lucht’. In deze familie lijkt meerwaarde vervat te zitten in het betekenis geven, de onuitgesproken belofte dat ook de leegte of wat voorbijgaand van aard is tot de verbeelding kan spreken. De liefde tussen beide ouders lijkt in dit gedicht nog een curiosum, een botsing tussen het concrete en het efemere, tussen controle en ontglippen.
Het gedicht speelt niet alleen met het contrast tussen de familiegeschiedenis en fundamenteel andere achtergrond van zowel vader als moeder, maar laat beide tegenpolen meteen ook oplichten in de relativerende glimlach van de lezer. Een mens hoeft zichzelf niet al te serieus te nemen. De dichteres gebruikt ironie op een dusdanig efficiënte manier dat de lezer sympathie krijgt voor de twee emblematische figuren die ze haast op een komische manier opvoert.
Gedicht XI maakt het spanningsveld explicieter door de sociale en existentiële afstand tussen beide werelden te benoemen. De blik op de ander wordt hier expliciet gemaakt. Wolken ‘kijken nu eenmaal op herten neer’, terwijl herten wolken als ‘hautain en oppervlakkig’ beschouwen. De wederzijdse minachting onderstreept hoe onwaarschijnlijk de verbinding is. Toch ‘viel moeder als een blok voor vader’. Dit is een mooie paradox: een wolk die zich gedraagt als iets zwaars en aards. In de daaropvolgende beelden zie je hoe beide ouders elkaar proberen te benaderen, maar elkaar en zichzelf tegelijk onbedoeld beschadigen. Terwijl moeder vader volgde ‘toen hij zijn kudde verliet’, bevreemdde die laatste zich erover ‘dat hij op een zonnige dag in de schaduw liep’. Niet meteen vanzelfsprekend voor iemand van zijn stand. Wanneer hij opkijkt, prikt zijn gewei gaatjes in moeders buik, waarna zij begint te regenen. Het is een teder en pijnlijk moment tegelijk. Zijn poging tot begrip (het omhoog kijken) resulteert in een bijna lieflijke verwonding, haar reactie (regen) is zowel een vorm van loslaten als een onvermijdelijke consequentie van wie zij is.
Het doorvoelen van de ander blijkt niet zo vanzelfsprekend. De natuur van beide ouders dicteert hun handelen. Hij kan niet anders dan handelen vanuit zijn aard, zij niet anders dan reageren vanuit de hare. Wat zichtbaar wordt, is geen mislukking van samensmelting, maar eerder het besef dat die samensmelting zelf een illusie is: de ander blijft onherleidbaar vreemd, zelfs binnen de context van intimiteit. Zijn handelen en haar antwoord illustreren niet zozeer het falen van een poging om volledig tot elkaar door te dringen, maar de vaststelling dat die zich niet weet te voltrekken in een gedeelde vorm. Ze ontmoeten elkaar precies in het feit dat ze zichzelf blijven.
In gedicht XII verschuift de toon naar het alledaagse, zonder dat die fundamentele vreemdheid verdwijnt. De ‘peacemaker’ van vader zorgt allesbehalve voor peis en vree in huis en zelfs het moment van samen tafelen is een moment van onrust geworden, een ‘walking dinner’ zo heet het. Het lijken tekenen van ontregeling, maar ze worden nog steeds met de nodige ironie gebracht. Moeders wens om vader te kunnen ‘dimmen’ via een afstandsbediening klinkt minder als een verlangen om hem te sturen dan als een (wat berustende?) knipoog naar het onvermogen daartoe. Ook hier wordt de illusie van wederzijdse afstemming opgeroepen en tegelijk ondergraven. De ander laat zich niet afstellen; elke poging daartoe zegt evenveel over degene die wil sturen als over degene die zich daaraan onttrekt.
De natuurelementen blijven ondertussen subtiel aanwezig. Vader blijft het dier dat handelt vanuit drift en kracht, moeder de wolk die observeert, beschrijft en uiteindelijk – uitverteld zo lijkt het – verdwijnt in haar laatste brief. Hun liefde heeft zich bewogen van mythische aantrekking via botsing naar een vorm van aanvaarding waarbij men zich geen illusies meer maakt over de ander. Wat de cyclus sterk maakt, is dat de dichter nergens een eenduidig oordeel velt. De lezer blijft balanceren tussen respect voor de intensiteit eigen aan deze liefde en het besef dat die op elk moment haar ondergang als schaduwzijde met zich meedraagt.
De vorm van verbondenheid die hier komt bovendrijven berust niet op versmelting, maar bestaat bij gratie van het ongrijpbare of, wanneer de schaduw oplicht, op het uithouden van verschil. Het hert en de wolk blijven elk hun eigen natuur volgen. Ze raken elkaar soms en missen elkaar soms. Maar juist in dat niet-samenvallen schuilt een bijzondere dynamiek die betrokkenheid levend houdt. Een dynamiek die de relatie kan voeden, maar – wanneer ze omslaat en als afstand wordt ervaren – net zo goed kan ontregelen.

(Op vrijdag 1 mei 2026 om 10.00 u. stelt Tania Verhelst haar nieuwe dichtbundel In de naam van de vader, de moeder en een rondtollende steen voor in de Magdalenakerk van Brugge.)
