luchtmens

online literair tijdschrift


Visser van Ma Yuan

Milan Kundera suggereert in zijn boek ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ dat wat mooi is in het leven vaak ontstaat door toeval: ontmoetingen, liefdes, beslissende momenten gebeuren zonder noodzaak of voorbestemming. Omdat ze niet moeten gebeuren (es könnte auch anders sein), kennen we ze een fragiele, unieke schoonheid toe. Toevalligheid hoort bij de lichtheid van het bestaan. Als niets noodzakelijk is en alles ook anders had kunnen lopen, is het leven licht en vol betovering, maar ook onzeker. Die lichtheid maakt schoonheid mogelijk, maar maakt haar tegelijk ook vluchtig en kwetsbaar.

Volgens Kundera kan de mens terecht verweten worden ‘dat hij in zijn leven van alledag blind is voor dergelijke toevalligheden’. Anderzijds zorgt coïncidentie (‘het mysterieuze samenkomen van toevalligheden’) ervoor dat de mens zijn leven volgens de wetten van de schoonheid gaat vormgeven, componeren:

‘De mens, geleid door zijn gevoel voor schoonheid’, verandert een toevallige gebeurtenis (Beethovens muziek, dood op het station) in ‘een motief dat voortaan in de compositie van zijn leven blijft. Hij keert ernaar terug, herhaalt het, wijzigt het en bouwt het uit als een componist het thema van zijn sonate’. (Kundera M.,  De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, Ambo|Anthos, 2023, p. 69)

Het toeval wil dat ik mezelf onlangs, tijdens een zoektocht naar een ander boek en na wat omzwervingen, de dichtbundel Van de afgrond en de luchtmens van Lucebert cadeau deed ter gelegenheid van mijn verjaardag – elk excuus om een nieuw boek te kopen is immers goed. Dat ik kort daarna het vliegtuig nam naar het Verre Oosten om daar in alle rust Kerstmis te gaan vieren en dat de roes van mijn vlucht op grote hoogte naar de andere kant van de wereld me terugvoerde naar het bezwerende slotgedicht van voornoemde bundel: Visser van Ma Yuan.

Ik besloot niet blind te blijven voor zo veel toevalligheden. Boven de afgrond van de leegte ontstond het idee om Luchtmens volgens de wetten van de schoonheid vorm te geven – met grond onder de voeten en een hoofd dat hemelt – en hem een bijzondere plek te geven, een plek waarnaar men steeds weer kan terugkeren. Een rustpunt, zo je wil, van waaruit alles in beweging komt, zoals Lucebert laat zien in dit gebalde gedicht:

Visser van Ma Yuan

onder wolken vogels varen
onder golven vliegen vissen
maar daartussen rust de visser

golven worden hoge wolken
wolken worden hoge golven
maar intussen rust de visser

(Lucebert)

Luceberts gedicht Visser van Ma Yuan – uit de bundel Over de afgrond en de luchtmens (1953) – is een uitzonderlijk helder en tegelijk gelaagd slotakkoord aan het einde van een bundel die voor het grootste deel wordt gekenmerkt door een vrije, experimentele stijl. Juist daarom valt dit gedicht op: een minimum aan woorden die tot samenspel komen in een bijna klassieke structuur (twee terzinen van achtlettergrepige verzen). Maar zoals vaak bij Lucebert is deze eenvoud misleidend. Het gedicht is opgebouwd uit herhaling, spiegeling en omkering, en precies daarin schuilt zijn kracht. Van het gedicht gaat een rust uit die alleen kan bestaan binnen een wereld die voortdurend van vorm verwisselt.

Met de titel verwijst Lucebert expliciet naar het schilderij Visser aan een winters meer (1195) van Ma Yuan, één van de Vier Meesters van de Zuidelijk Song (1127-1279), bekend om zijn shan shui-landschapsschilderingen in gewassen inkt waarbij het afbeelden van bergen en rivieren/meren centraal staat. Op de voorgrond van zijn schilderijen is vaak wel een scherper afgetekende, eenzame figuur (een filosoof of visser) te zien, maar vooral in functie van het contrast met de massieve bergcontouren op de achtergrond, die als dominante tegenhanger in vervagende inktranden zijn aangebracht.Ma Yuan beoogde in de eerste plaats een gevoel van eindeloze ruimte, waarin zelfs bergen leken op te lossen. Zo kwam het mystieke karakter sterker tot uitdrukking en werd een sfeer van overweldigende grootsheid opgeroepen. De mens is in dat opzicht in zijn schilderijen slechts een klein accent, een aandachtspunt in een ontzagwekkende leegte.

Visser aan een winters meer (1195) van Ma Yuan, Bron: Wikimedia Commons

Hierbij dient nog aangemerkt dat de visser in de Chinese schilderkunst en in de klassieke Chinese poëzie kan doorgaan voor een archetype. Hij staat symbool voor onafhankelijkheid, vrijheid en innerlijke wijsheid. Houdt zich ver van hofintriges en observeert de wereld vanop een afstand. Door zijn ‘wereldvreemdheid’ staat hij net dichter bij het wezen van de wereld. Deze bepaalt het bewustzijn van de visser niet. Integendeel, het bewustzijn van de visser zwenkt vrij door de wereld heen. Dit archetype gaat terug tot de Chinese dichter Tao Yuanming (365–427) en de periode van de Tang-poëzie (618-907), het gouden tijdperk van de Chinese poëzie, en laat zien dat echte vrijheid voortkomt uit een rustige geest, niet uit extern handelen.

In Visser van Ma Yuan echoot niet alleen het beeld van Ma Yuan’s schilderij maar ook het archetype sterk: een kleine menselijke aanwezigheid, stil en geconcentreerd, omringd door een immens en in transformatie verkerend landschap. Ook in Luceberts gedicht contrasteert de rust van de visser met de verschuivende hemel en zee. Het gedicht opent met het beeld van vogels die varen en vissen die vliegen, een omkering die niet bedoeld is als surrealistisch effect, maar zich inschrijft in een droomlogica. De bewegingen van lucht en water wisselen van eigenschappen, maar de visser blijft onverstoord. De rust ontstaat dus niet ondanks, maar dankzij de voortdurende metamorfose van de wereld.

In een brief van december 1968 waarin Lucebert zich tot letterkundige Aldert Walrecht richtte, schrijft de dichter dat de visser – wiegend op het water – in een halfslaap verzonken is, hij ‘doet een dutje en droomt en het is de droom die hem veroorlooft de wereld om en om te keren’. Lucebert beschrijft de setting voorts als een ‘drempelsituatie’ die vanuit een gevoel van leegte een overgang bewerkstelligt. Net zoals we dit zouden kunnen ervaren ‘als we letterlijk waren verplaatst in de situatie die de schildering weergeeft’. Het moment van rust is evenwel fragiel want ‘de visser kan gewoon weer wakker worden uit zijn dommel en dat zal hij, als de vis bijt!’, aldus Lucebert in diezelfde brief. (Anbeek, T., Goedegebuure, J., & Vervaeck, B. (2014). Lexicon van literaire werken (1989–2014))

Het tweeluik van de strofen versterkt het idee van een droom die terugkeert in spiralen. De tweede strofe herhaalt de eerste, maar keert de volgorde van de elementen om. De wereld blijft in transformatie, maar de visser blijft identiek (‘maar intussen rust de visser’). Terwijl de wereld volop in beweging is, blijft het innerlijke subject zacht verankerd in zichzelf. Visser van Ma Yuan is niet zozeer een hommage aan een schilder, maar een kleine oefening in kijken. De lezer wordt uitgenodigd om in de wiegende rust van de visser zelf plaats te nemen en de wereld, voor even, zachtjes van gedaante te zien veranderen.

Het Chinees-classicistische vissersbeeld dat in Luceberts Visser van Ma Yuan meeklinkt, wordt nog pregnanter wanneer men het gedicht plaatst naast een van de beroemdste visserstaferelen uit de Chinese literatuur van de hand van Liu Zongyuan, dat ik voor de gelegenheid vertaalde:

Duizend bergen, geen vogel meer in vlucht
Tienduizend paden, elk spoor van mensen uitgewist
Een eenzame boot, een oude man met strooien mantel en bamboehoed
Vist alleen in de koude, besneeuwde rivier

In dit vierregelige titelloze gedicht bevindt de visser zich in een wereld die tot volledige stilte is gekomen. Er zijn geen vogels, geen mensen, enkel sneeuw en water. Een wereld die objectief haast leeg is, maar subjectief geladen met contemplatie. De visser is hier niet slechts iemand die vist, maar een symbool van zelfgekozen afzondering. Hij is een mens die zich teruggetrokken heeft uit de wereld, niet als vlucht maar als morele en spirituele keuze of, meer nog, de dichter die zich afkeert van het ‘lawaai’ van het hof en de politieke verwikkelingen die voor ongewenste afleiding zorgen.  

De figuur van de visser is hier haast een toonbeeld van stoïcijnse aanvaarding. De wereld is koud, leeg, verlaten, maar de visser zelf blijft ongevoelig voor de omstandigheden. Hij vist eenvoudig verder, onafgebroken, zonder verzet of verlangen naar een andere wereld. Zijn houding beschrijft geen somberheid maar een innerlijke gelijkmoedigheid. Hij laat zich niet door uiterlijke beproevingen uit zijn rust halen. Het is die houding van stille volharding die in de Chinese traditie zo vaak met wijsheid wordt geassocieerd.

Sneeuw op de rivier, Liu Zongyuan (Kalligrafie: Jiang Xue)

Waar Liu Zongyuan’s visser een kalm middelpunt vormt in een objectief ijzige wereld, is Luceberts wereld juist constant in beweging en omkering: vogels varen, vissen vliegen, wolken worden golven. Toch blijft ook híér de visser onverstoorbaar rusten. Maar zijn rust heeft een andere bron. Geen uiterlijke gelijkmoedigheid tegenover een harde natuur, maar een innerlijke halfslaap die de wereld zachtjes van vorm laat wisselen. Waar het Chinese gedicht stoïcijnse aanvaarding suggereert, toont Lucebert een dromende aanvaarding, een rust die voortkomt uit het vermogen van de geest om de werkelijkheid te herschikken.

In Visser van Ma Yuan zet een halfslaap de wereld op zijn kop. De tegenstellingen worden niet als conflict opgevoerd, maar als zachte verschuivingen. De visser is het centrum waarin de omkering oplost. De wereld keert zich om omdat het bewustzijn schuift. Daarmee sluit Lucebert opvallend aan bij de spirituele kern van veel Chinese schilderkunst en poëzie waar de mens rust vindt in het midden van beweging, niet door zich af te zonderen maar door zich te laten meebewegen. Het taoïsme is in dit opzicht ook niet veraf.

Het slotgedicht van de bundel Over de afgrond en de luchtmens is een meesterlijke synthese van vrije geest en contemplatieve traditie. Het gedicht toont hoe rust niet statisch hoeft te zijn. In de halfslaap van de visser worden de wetten van de wereld tijdelijk omgekeerd, en ontstaat een poëtische ruimte waarin de mens zowel aanwezig als losgemaakt is. Betekenis ontstaat niet uit de feitelijke werkelijkheid zelf, maar uit de manier waarop de mens ze opneemt, herhaalt en innerlijk vormgeeft. Waardoor een evenwicht ontstaat tussen wat gebeurt en hoe het wordt beleefd.

Bron: Lucebert, Van de afgrond en de luchtmens, A.A.M. Stols, 1953

Auteur artikel: Edward Hoornaert